Lezing Oude Testament Jeremia 23: 23-29,  

Evangelielezing: Lucas 12: 49-56,

 

Ik kan me voorstellen dat bij het horen van de teksten tot nu toe wel even gezucht is. 

Al die teksten over vuur:

En dat met deze zomerse hitte.

Maar ook, zuchten, omdat de Bijbellezingen denk ik niet meer passen bij het beeld dat wij van God en Jezus hebben.

Jezus zegt: ‘Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde’.

Zegt dat hij niet gekomen is om vrede te brengen, maar verdeeldheid.

Maar waar blijft dan de liefde, de verzoening, vrede – dat is toch wat Jezus ons heeft willen leren en geven.

 

En dan Jeremia:

‘Is mijn woord niet als een vuur, als een hamer die een rots verbrijzelt? Spreekt de Heer’.

Zulke teksten passen toch meer in een bulderende donderpreek in zware kerken waar God als een strenge, straffende God wordt gezien.

Een sfeer die wij liever achter ons laten, zeker als je daarmee bent opgegroeid.

 

Toch staan ook deze teksten in de Bijbel en lezen wij ze vandaag,

en moeten we ons daarbij misschien toch afvragen of ons beeld van God, van Jezus wel helemaal klopt,

het beeld van de lieve, zachte, vriendelijke helper en trooster,

de Goede Herder die het verloren schaap zoekt, de vader die zijn verloren zoon opwacht, Jezus die vergeeft en heelt.

In plaats daarvan klinkt vandaag vuur van Godswege.

‘Vuur’ verbindt de beide teksten van vanmorgen met elkaar.

De theoloog Miskotte noemde profeten zoals Jeremia ‘brandstichters van Godswege’,

en zowel Jeremia als Jezus houden een vlammend betoog tegen hun hoorders.

 

Vuur is een belangrijk beeld in de Bijbel.

Bij vuur denk je misschien als eerste aan verbranden en verdelgen,

- we zien de vernietigende kracht van het vuur in de bosbranden door de droogte -

maar het Bijbelse beeld is breder en rijker.

In vuur zit zeker oordeel,

‘God is als een verterend vuur’ kunnen we zowel in Oude als Nieuwe Testament lezen, maar in Bijbelse taal is dat vooral bedoeld als zuivering.

 

 

Zoals je met vuur goud of zilver uit erts kunt smelten en zuiveren.

In vuur kun je een naald ontsmetten om een blaar door te prikken.

Als het vuur je na aan de schenen wordt gelegd, komt het erop aan wat je zegt en wat je doet.

Vuur in die zin, in Bijbelse taal, brengt scheiding aan tussen goed en kwaad,

vuur dat onheil en onrecht vernietigt,

vuur dat loutert, zuivert, het goede tevoorschijn brengt.

 

Tegelijk is in de bijbel vuur ook symbool van Gods aanwezigheid:

de brandende braamstruik waar Mozes Gods Naam hoort,

de vuurkolom die in de woestijn voor het volk Israël uitrekt,

het vuur op de Sinaï als God Mozes de Tien Woorden geeft,

en natuurlijk het vuur van Pinksteren: de Heilige Geest die mensen in vuur en vlam zet.

 

Blijkbaar past die dubbelheid bij God,

bij hoe mensen soms hun ervaring met God beschrijven.

‘Ben ik alleen een God van dichtbij, ben ik niet ook een God van ver?’,

klinkt in het begin van onze Jeremialezing.

Soms voelt God dichtbij, warm, troostend, als een goede vriend of vriendin, geborgenheid.

Maar soms ook, en eigenlijk tegelijk, blijft er ook afstand, ontzag.

God wordt in de Bijbel getekend als een God die omziet naar zijn volk, hun ellende ziet,

die zich laat kennen door zijn Woord, door profeten, dichters, in liederen.

Maar tegelijk blijft God altijd een geheim, een mysterie, groter dan wij, daarom in de Tien Woorden het verbod om God af te beelden.

Vandaar ook in de Bijbel de vele namen voor God.

God laat zich niet vangen in een enkel beeld of in een enkel woord.

Ook niet in de dogma’s waarmee de kerk door de eeuwen heen heeft geprobeerd te beschrijven wie en hoe God is.

Ook niet in preken, hoe mooi en inspirerend ook.

We moeten altijd met twee, of liefst met nog meer woorden spreken als het over God gaat.

Hij, zij, het, vader, moeder, de Eeuwige, Nabije, de Ene, Leven, Liefde,  maar dus ook: vuur en hamer.

Liefde die ons ziet, in wie we zijn, wat je bezig houdt, dat je er mag zijn, goed zoals je bent.

Maar ook: toorn en woede tegen onrecht, tegen wat mensen klein houdt, het kwaad dat mensen elkaar aandoen.

Een God van liefde, maar dat is wat anders dan een lieve God.

 

Zo meteen klinkt de meditatieve muziek rond een lied dat zo veelzijdig het vuur van God bezingt:

Vlammen felbewogen, verterend wat aan onrecht leeft.

En:      een gloed vol mededogen,

vonk van hoop in de nacht,

Wenkend licht dat op ons wacht, warmte in hart en ogen.

 

Vol van dát vuur gaat Jeremia tekeer tegen profeten die een andere boodschap brengen dan het woord van God.

Die zeggen wat het volk graag wil horen, de machthebbers naar de mond praten.

Ze praten onrecht goed en laten het daarmee bestaan, laten het volk Gods naam vergeten.

God wordt in hun verkondiging onderdeel van het systeem van hebben en houden wat je hebt en daarvan profiteren en jezelf verrijken.

Feel good religie: God aan onze kant en wij kunnen rustig slapen.

 

Daartegenin klinken die felle woorden van Jeremia over Gods Woord dat als een vuur is, als een hamer die een rots verbrijzelt.

Jeremia gebruikt het beeld van stro en graan:

Vuur verteert stro zodra er een vlam bij komt, zo zijn de woorden van de valse profeten lege woorden, loze beloften.

Er zit geen toekomst in.

Terwijl het Woord van God is als graan, graan dat voedt, kracht en energie geeft, doet groeien.

Als vuur dat inspireert, je in beweging zet en houdt, speels en onvoorspelbaar,

om te blijven vragen, durven twijfelen en zoeken,

niet te snel tevreden met gemakkelijke antwoorden die toch al in je straatje passen.

Omdat het geheimenis van God en geloven groter en altijd net even anders, en vast veel mooier en beter is dan wij ooit kunnen bedenken.

 

Gods Woord ook als vuur dat inspireert om waar je dat kunt je te verzetten tegen onrecht,

Je in te blijven zetten voor het goede leven voor mensen, ook voor jezelf, voor schepping en natuur, voor recht, vrede, welzijn en zorgzaamheid.

 

Het is aan ons, ook als kerk, om dat vuur brandend te houden en door te geven,

door aanstekelijk te leven, warmte te delen, recht doen opvlammen.

Waar nodig: fel en vurig,

waar het kan: speels en onvoorspelbaar,

telkens ontsteken: nieuwe vonken van licht en liefde en hoop.

 

Meditatieve muziek rond Lied 691: 2

 

‘Vuur’ (naar Manu Verhulst)

 

Hij had het over vuur

als Hij zijn Kerk bedoelde.

Een vuur waaromheen

verkleumde mensen

kunnen samenkomen

om zich te warmen,

om elkaars gezicht te zien,

om niet alleen te zijn

in de nacht.

 

Hij had het over vuur.

Hij heeft gewild

dat het zou branden,

fel en vurig,

speels en onvoorspelbaar:

telkens nieuwe vonken in de nacht.

 

Hij had het over vuur

dat moet blijven branden,

gevoed moet worden

door alles wat mensen

nieuw ontdekken door hun vragen,

dat moet aangewakkerd worden

door het waaien van de Geest,

onzichtbaar in de nacht.

 

Hij heeft zijn Kerk

als een vuur ontstoken.

Misschien hebben wij,

de eeuwen door,

teveel aan brandbeveiliging gedaan.

 

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 9 Oktober om 10:00 uur in

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: ds. J. Eerbeek uit Den Haag