Johannes 21: 14 – 19

 

Stef Bos: Het lied van Petrus

Liedboek Lied 649

 

Hoe herstel je vertrouwen, win je vertrouwen terug?

In de politiek op dit moment een actuele vraag.

Maar ook in persoonlijke situaties kan het een belangrijke vraag zijn: als iemand je erg teleurgesteld heeft.

Dan heeft het tijd nodig om vertrouwen te herstellen, dat de ander je weer laat zien dat hij of zij je vertrouwen weer waard is.

 

Maar je kunt ook het vertrouwen in jezelf kwijt zijn, zelfvertrouwen missen, als je te vaak hebt gehoord dat je niet goed bent, niets voorstelt of niets goed kunt doen.

Of als je in jezelf teleurgesteld bent, aan jezelf twijfelt.

 

Op het eerste gehoor lijkt het, in ons verhaal vanmorgen, alsof het vertrouwen tussen Jezus en Simon hersteld moet worden.

Dat zou begrijpelijk zijn.

Simon Petrus heeft immers tot drie keer toe Jezus verloochend, ontkent dat hij Jezus kent.

Bij het vuur op de binnenplaats van het paleis nadat Jezus gevangen genomen is.

Tot drie keer toe vraagt iemand aan Petrus of hij ook bij Jezus hoort.

Maar, ook tot drie keer toe, reageert Petrus afwijzend: ‘ik ken hem niet’.

En vlak daarna kraait de haan.

Simon, die door Jezus Petrus is genoemd, ‘de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen’.

Simon is alles behalve een vaste rots gebleken.

 

Dus begrijpelijk als Jezus hem hier op de proef wil stellen, bewijs wil zien en horen dat Petrus echt voor hem kiest.

En daarom tot drie keer toe aan Simon vraagt: ‘heb je mij lief?’

 

Maar als we goed lezen, ligt het misschien toch anders.

Want immers al na één keer ‘heb je mij lief?’ en de reactie van Simon: ‘ja, Heer, u weet dat ik u lief heb’, antwoordt Jezus met ‘weid mijn lammeren’.

Al na één keer bevestiging, ‘u weet dat ik u liefheb’, krijgt Simon het vertrouwen van Jezus om als een herder te zorgen voor Jezus z’n volgelingen en hen te leiden.

Waarom dan nog een keer die vraag: ‘heb je mij lief?’, en daarna zelfs nog een keer.

Is het een manier van Jezus om Simon op z’n plek te zetten, boete te laten doen:

je hebt me drie keer ontkend en nu zul je ook drie keer zeggen dat je van me houdt?

En dan staan we weer quitte.

 

Zelfs tussen ons gewone mensen zouden we dat denk ik kinderachtig vinden, de ander zo terug pakken, vernederen.

Het wordt dan tot iets van een machtspelletje en dat lijkt niet de beste manier om vertrouwen  weer te herstellen.

 

Zou het kunnen zijn dat Jezus het voor Simon zélf tot drie keer toe vraagt?

Dat niet Jezus Simon weer moet gaan vertrouwen,

maar dat Simon zichzelf weer moet gaan vertrouwen, het vertrouwen in zichzelf weer moet vinden om zich aan Jezus te kunnen geven.

Jezus spreekt Simon aan vanuit zijn onvoorwaardelijke liefde.

Jezus begint niet eerst over de verloochening tot drie keer toe, alsof dat eerst uitgepraat moet worden.

Jezus spreekt hem aan als ‘Simon, zoon van Johannes’, zoals bij hun eerste ontmoeting, nog voordat Simon Petrus werd, ver voor de verloochening.

Alsof Jezus zegt: we beginnen weer opnieuw, met een schone lei.

 

In dat licht staat Simon hier voor Jezus, in het licht en de warmte van liefde die ons aanvaard  zonder voorbehoud.

Kan Simon het daarin uithouden, zich aan die onvoorwaardelijke liefde toevertrouwen?

Kan, vanuit die aanvaardende liefde van Jezus, Simon zichzelf aanvaarden en met zichzelf leven?

 

Lied 649 verbeeldt die worsteling van Petrus,

            ‘O Heer, blijf toch niet vragen, Gij weet dat ik U haat

            Dat ik geen kruis wil dragen, niet gaan waarheen Gij gaat.

            Blijf mij niet ontroeren, dit is mij te zwaar.’

 

En misschien is het wel de worsteling van ieder mens,

om ons echt te durven toevertrouwen aan de liefde van Jezus. Aan liefde.

Erop te durven vertrouwen dat we erbij mogen horen, dat we goed genoeg zijn, mee kunnen gaan op de weg van Jezus.

We worden zo vaak heen en weer geslingerd tussen geloof en twijfel, tussen angst en overgave.

Zoals Stef Bos bezingt in het lied van Petrus:

‘ik weet soms niet meer wat mijn woorden nog waard zijn,

Weet soms niet meer wat ik hier zoek, ik struikel en val, sta op en ga verder,

Ik ben een mens van vlees en bloed.

Ik heb meer beloofd dan ik waar kon maken,

Heb getwijfeld en soms mijn dromen verraden, een vriend laten vallen, mezelf vervloekt,

Ik ben een mens van vlees en bloed.‘

 

Wie ben ik, echt?

Wie durf ik te zijn?

Gezegend ben je als er iemand is, als er mensen zijn, bij wie je mag zijn wie je bent, om in en vanuit liefde te worden wie je kunt zijn.

            ‘Neem mij aan zoals ik ben, wek in mij op wie ik zal zijn’.

 

Jezus z’n vraag: ‘heb je mij lief?’ is geen test waarin Simon na zijn verloochening tot drie keer toe nu ook drie keer moet verklaren dat hij nu echt kiest voor Jezus.

‘Heb je mij lief?’ tot drie keer toe, een uitnodiging van Jezus aan Simon om zich toe te vertrouwen aan de liefde van Jezus.

Niet de verloochening telt,

niet ons falen, tekort schieten, maar of we durven vertrouwen op de liefde,

ons durven toe te vertrouwen aan liefde die niet veroordeelt, maar bevrijdt.

‘Ten derde male vraagt Gij, Gij laat niet van mij af.

Mijn haat, mijn opstand draagt Gij, begraaft Gij in uw graf’.

Zand erover.

 

“We zijn met Christus begraven” belijden we bij de doop en doopgedachtenis.

Om met hem op te staan.

Het heen en weer geslingerd worden tussen haat en liefde, tussen schuld en verlangen, tussen geloof en twijfel is doorbroken,

mogen we loslaten om met Jezus op te staan en in liefde en vrijheid te leven.

Zoals Petrus zich overgeeft aan Jezus, aan Jezus’ liefde: ‘U weet toch alles’.

God groter dan ons hart.

‘Uw liefde triomfeert’, zingt vers 7.

Daarin wordt de weg naar toekomst geopend: ‘weidt mijn schapen’.

De huurling die herder wordt.

Een huurling past voor loon op de schapen, voor zichzelf, zelfbehoud – waar Petrus ook voor koos toen hij Jezus verraadde.

De huurling wordt nu een herder, om in en vanuit liefde te zorgen voor anderen.

Nu klinkt wat eerder nog niet klonk voor Simon, zoon van Johannes: ‘Volg mij’.

 

De cirkel van zelfbehoud, angst en zorg voor jezelf, schuld, twijfel wordt doorbroken – ook tussen mensen – wordt doorbroken in de liefde, als we ons daaraan durven toevertrouwen.

Te geloven en te voelen dat je er mag zijn,

ja zelfs dat je er moet zijn, om te zorgen voor anderen die onze zorg en hulp en liefde nodig hebben.

 

‘O Heer, vraag altijd verder’, eindigt lied 649.

Nodig ons steeds weer uit ons toe te vertrouwen aan de liefde.

Gezocht en gevonden willen worden, weten dat je een verdwaald schaap bent, maar gezocht wordt en gevonden mag worden.

En daarom weten dat liefde de grond is van het leven.

De enig begaanbare weg.

Waarop ook voor ons klinkt: ‘Volg mij’.

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 16 Mei om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: ds. C.L. de Rooij
Ouderling van dienst: Carla Izeren