Inleiding bij de lezingen

 

Deze en de komende twee zondagen wil ik afwijken van het leesrooster en steeds een bepaalde Bijbelse figuur centraal stellen.

Ik denk dat we wat een dubbele verhoudingen hebben tot de figuren, de mensen in de Bijbel.

Aan de ene kant lezen we de verhalen en zien we ze als mensen van vlees en bloed,

als historische figuren zoals Karel de Grote, Napoleon, Willem van Oranje en noem maar op,

mensen die een bijzondere rol in de geschiedenis, in dit geval in de Bijbelse geschiedenis hebben gespeeld.

Mensen zoals wij, met hun goede en mooie, en ook minder mooie kanten.

Die de gewone menselijke dingen van het leven meemaken, vreugde en verdriet, geluk en tegenslag, soms vol geloofsvertrouwen zijn en soms ook met vragen en twijfels en ongeloof.

Tegelijk weten we dat de Bijbel geen geschiedenisboek is en dat de Bijbelse verhalen en ook de Bijbelse personages vooral theologisch worden verteld en beschreven.

Dat daarin de betekenis van het verhaal, van het vertelde, van de betreffende persoon ligt.

 

Toch vertelt de Bijbel niet voor niets al die levensverhalen.

God is een God van mensen.

En de Bijbelverhalen gaan over ervaringen van mensen, ervaringen met God, over geloofservaringen en over leven in en vanuit dat geloof.

En daardoor kunnen die Bijbelse verhalen en personen voor ons herkenbaar zijn en ons helpen om ons eigen levensverhaal, in het licht van geloven in God, beter te verstaan en te begrijpen.

En daarin onze weg te zoeken.

 

Daarom gaan we ons vandaag en de komende zondagen verdiepen in een Bijbelse figuur, en zijn of haar verhaal.

Vandaag lezen we over koning Salomo.

Vorige week is, vanuit het leesrooster, 1 Koningen 3 gelezen over de droom van Salomo waarin hij aan God mag vragen wat hij wil.

Salomo vraagt wijsheid, om goed het volk Israël te kunnen leiden, onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad en zo recht te kunnen spreken.

 

Dat is, denk ik, vooral waaraan wij denken bij koning Salomo: zijn wijsheid.

Met daarbij zijn vonnis over het kind van de twee vrouwen die bij hem komen met de vraag van wie het kind is.

En wat we weten van Salomo is dat hij de tempel mag bouwen die zijn vader David niet mocht bouwen vanwege zijn vele bloedvergieten.

Maar er zitten meer kanten aan zijn leven, en daarin is Salomo misschien wel herkenbaar voor ons, of in ieder geval zijn verhaal over hoe in het leven te staan en welke rol geloof in God daarbij speelt.

We horen allereerst de Bijbellezing over het begin en het bijna einde van Salomo z’n koningschap.

 

Lezing Oude Testament 1 Koningen 2: 1 – 4, 1 Koningen 11: 1 – 13

 

Verkondiging: ‘Het verhaal van Salomo’

 

In de dienst is hier de hervertelling van Guido de Bruin gelezen: ‘Het verhaal van Salomo’  uit zijn boek ‘Dicht op de huid’.

 

  

Ik moest bij deze vertelling door Guido de Bruin van het verhaal van Salomo denken aan een boekje van de joodse schrijver en journalist, interviewer Ischa Meijer, gestorven in 1995.

Samen met zijn ouders overleefde hij als peuter het concentratiekamp Bergen-Belsen.

Hij schreef over zijn jeugdherinneringen en de verhouding met zijn ouders het boek: ‘Een jongetje dat alles goed zou maken’.

Over de verwachtingen die zijn ouders van hem hadden, maar die hij nooit zou kunnen vervullen, om goed te maken wat in hun leven, als joden in de oorlog, fout was gegaan.

Ook andere joodse kinderen, bekende zoals acteur en schilder Jeroen Krabbé of journalist Max van Weezel, herkennen zich daarin.

En verklaren daarmee, met die grote verwachtingen, hun grote prestatiedrang:

‘Dat ik er ben is niet voldoende, Ik moest laten zien dat ik kan overleven, meer nog dan dat: ik moest het onderste uit de kan halen’, zegt Jeroen Krabbé.

En Max van Weezel schrijft aan zijn dochter: ‘Ik moest, zo zeiden mijn ouders steeds weer, hard werken en iets bereiken en daarbij werd verwezen naar de ooms en tantes, neefjes en nichtjes die die kans niet hadden gekregen omdat ze er niet meer waren.

Ik sluit niet uit dat ik daardoor zo’n onverbeterlijke workaholic ben geworden’.

 

Zo beschrijft Salomo in de versie van Guido de Bruin het gevoel dat hij een ‘troostkind’ moest zijn. ‘Alsof ik het leven moet leiden van mijn oudere broer, die als baby gestorven is’.

Met die namen die een opdracht in zich dragen.

‘Salomo’ : ‘vol van vrede’: ‘was dat zijn, mijn vaders verlangen dat ík moest vervullen?’

Iets moeten goed maken, z’n ouders verdriet besparen, voorbeeldig moeten leven, altijd de wijste zijn’.

En dan die andere naam: Jedidja ‘lieveling van God’, daarin klinkt een belofte maar het kan ook als een opdracht voelen, een goddelijke opdracht.

Salomo moest dan ook de tempel bouwen die zijn vader David vanwege het vele bloedvergieten niet mocht bouwen.

 

Zo kan je als kind een opdracht meegegeven worden, een opdracht die kan voelen als een last.

Ik denk dat er veel kinderen zijn die dat kunnen herkennen.

Zeker kinderen die, zoals dat vroeger vaak gebruikelijk was, dezelfde naam kregen die een eerder, jong gestorven broertje of zusje had gehad.

Of kinderen die deel van een tweeling waren maar waarbij de andere helft van de tweeling bij de geboorte is gestorven, het gevoel dat ze voor twee moeten leven.

Maar ook kinderen die de onvervulde dromen van hun ouders moeten vervullen, wat zij niet konden moet hun kind waarmaken:

studeren of de topsporter worden die vader of moeder nooit heeft bereikt.

En hoeveel kinderen, vooral oudste kinderen in een gezin, hebben mee moeten zorgen voor het gezin, met of voor hun ouders tot op hoge leeftijd en hebben daardoor niet de kans gekregen echt kind te kunnen zijn of een eigen weg te gaan.

Wie herkent niet de zoektocht of worsteling als kind tussen aan de ene kant voldoen aan de verwachtingen en wensen van je ouders,

maar ook je eigen weg willen zoeken, je leven vorm geven en invulling zoals dat bij jóu past.

Jezelf mogen zijn, ook als dat misschien anders is dan je ouders voor ogen hadden.

In deze Prideweek kun je veel verhalen lezen, programma’s zien van LHBTI-ers die daarmee hebben geworsteld.

 

Als wij aan koning Salomo denken dat is het eerste waar we aan denken waarschijnlijk zijn grote wijsheid en daarna dat hij de tempel van God heeft gebouwd.

En misschien aan de 1000 vrouwen die hij had, als teken van de rijkdom en de zegen die God hem ook heeft geschonken, nadat Salomo in zijn droom de juiste keuze had gemaakt: door wijsheid van God te vragen.

 

Maar als we heel het verhaal van Salomo lezen dan komt daar een veel dubbelzinniger beeld uit naar voren.

Er worden prachtige dingen over Salomo verteld en meerdere keren wordt gezegd dat de zegen van God op hem rust en dat er tijdens zijn rijk vrede is in het land.

De verteller schetst een positief beeld over koning Salomo, maar als je goed leest zie je toch af en toe ook de donkere kanten van Salomo z’n koningschap.

Dat begint al, als met een truc en een leugentje, zijn moeder Batseba en de profeet Nathan zorgen dat Salomo de opvolger van David wordt en niet zijn oudere broer Adonia.

En Salomo, de vredevorst, begint zijn koningschap met de opdracht van zijn vader David om een aantal mannen om het leven te brengen.

Meedogenloos en bloedig laat Salomo deze opdracht uitvoeren.

David mocht de tempel van God niet bouwen omdat aan zijn handen bloed kleefde, maar voor Salomo, die wel de tempel zal bouwen, geldt eigenlijk hetzelfde.

 

Salomo trouwt de dochter van de Egyptische farao en doet mee met de Egyptische manier van doen: als een farao bewapent hij zijn leger met paarden en wagens, het oorlogstuig waarover Israël zingt dat het ten onder gaat in de golven bij de uittocht uit Egypte.

En waarvan God verboden had dat de koning die manier van doen zou volgen.

Het laat zien dat Salomo meer vertrouwt op wapentuig dan op Gods kracht en bescherming.

Zo offert Salomo ook op plekken waar afgoden worden vereerd en zijn 1000 vrouwen komen uit de volken waarvan God heeft gezegd dat de Israëlieten zich niet mee in mogen laten.

 

En het is waar dat het land onder Salomo grote rijkdom en voorspoed kent, dat het volk genoeg te eten en te drinken heeft.

Maar voor de bouw van de tempel worden heel veel arbeiders ingezet voor zware arbeid en een deel van de oogst en van het vee wordt opgeëist.

Zo dat, na de dood van Salomo, aan zijn opvolger wordt gevraagd om het zware werk en het harde juk van Salomo te verlichten.

Ook al was het een tijd van voorspoed en vrede, het volk is uitgeput na de regering van Salomo.

Salomo is de koning geworden waar de profeet Samuël het volk voor heeft gewaarschuwd toen het een koning wilde:

Een koning zal je zonen en je dochters en een deel van je vee en je oogst opeisen.

 

De conclusie, bijna aan het eind van Salomo z’n leven, is dan ook dat hij God niet zo met hart en ziel was toegedaan als zijn vader David is geweest.

 

Het gaat er niet om, om nu een heel negatief beeld van Salomo neer te zetten.

Aan de ene kant is de beschrijving van zijn koningschap theologisch een verklaring achteraf voor het uit elkaar vallen van het land en het rijk Israël,

omdat de koningen, te beginnen bij Salomo, niet meer als een herder voor het volk zorgen, dienstbaar en vertrouwend op God.

Maar uitgaan van eigen macht en kracht voor eigen rijkdom en gewin.

Dat is een weg die ondergang brengt.

 

Of de Bijbelschrijver ook bedoeld heeft het verhaal van Salomo psychologisch te duiden, weten we natuurlijk niet.

Maar Salomo kan herkenbaar zijn daarin dat, als je als kind, hoe goed bedoeld misschien ook, verwachtingen mee krijgt, waardoor je een groot deel van je leven het gevoel hebt je te moeten bewijzen.

Door hard werken, prestaties leveren, meer of iemand anders zijn dan je ten diepste bent.

Voor Salomo loopt dat uit op een doodlopende weg.

Hij verliest zichzelf in zijn streven naar macht en rijkdom.

Zoals dat in onze tijd geldt voor heel wat zogenaamde helden, bazen, machthebbers, stoer doeners.

 

Het verhaal van Salomo laat ons zien dat de grote namen uit de Bijbel geen heiligen zijn, maar mensen als wij.

Toch is Salomo zijn naam bewaard gebleven, heeft hij een plek gekregen in het geslachtsregister van Jezus.

Ook door de al te menselijke geschiedenis en levens heen gaat de belofte van God door.

Via Salomo, zoon van David, zal de geschiedenis uitlopen op de David’s zoon Jezus.

Salomo, Jedidja, zijn namen blijven, ondanks alles, door zijn levensgeschiedenis heen schijnen: Vredevorst en ‘lieveling van God’.

Ook daarin mogen wij ons herkennen.

Hoe onze weg ook gaat, met vallen en opstaan,

dat onze diepste naam: ‘kind van God’, blijft klinken en steeds meer waar mag worden.

Dat je er mag zijn, zoals je bent.

Zoals we zongen in ons aanvangslied:

            Neem mij aan zoals ik ben,

            Wek in mij die ik zal zijn.

            Druk uw zegen op mijn ziel en leef in mij.

Dat mag, van ieder van ons, óns verhaal zijn.

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 4 Oktober om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:
Lezingen: Daniël 6: 1-29 en Matteüs 21: 33-43.

Voorganger: ds. A. Minnema