Evangelielezing: Matteüs 13: 24 – 30,

 

Bij de gelijkenis van vandaag van het zaad en het onkruid kwam ik een gedichtje tegen van Jan Gouverneur, een dichter uit de 19e eeuw, bekend van kindergedichten die later op muziek zijn gezet, zoals:

‘Toen onze Mop een mopje was en ‘In een groen, groen knollen-knollenland’.

 

Het gedicht dat ik las gaat als volgt:

De boer staat voor zijn roggeveld

en krabt zich brommend achter de oren.

‘Dat had ik me anders voorgesteld;

Ik zaaide het allerbeste koren,

en nu - kijk eens dat ontuig aan!

Wis heeft de duivel dat gedaan.’

 

Daar komt zijn jongske, heel verrukt,

met bonte bloemen rijk beladen,

die hij op de akker heeft geplukt,

wit, blauw en purperrood van bladen.

‘Kijk, vader,’ juicht hij, ‘wat een pracht!

Wat heeft God de akker rijk bedacht!’

 

Twee verschillende ‘theologische’ interpretaties van het onkruid op de akker, waarbij het ‘jongske’ ons misschien een mooie kijk geeft op de gelijkenis.

 

Een boer zaait graan uit op zijn akker, met goed zaad, staat er nadrukkelijk bij.

Het is vandaag al de derde zondag met een gelijkenis over zaad.

Vorig week over het zaad dat deels op de weg, deels op rotsachtige grond en deels tussen distels valt en geen goede vruchten oplevert.

En de week ervoor ook over de groeikracht van het zaad dat vruchten voortbrengt en over het mosterdzaadje.

Gelijkenissen waarin het zaad een beeld is voor het Koninkrijk van God, of zoals Matteüs zegt: het Koninkrijk van de hemel.

 

‘Zaad’ is een sprekend beeld dat het geheim van het Koninkrijk van God laat zien.

Dat het vaak in het verborgene groeit, dat het tijd nodig heeft om te groeien.

Het Koninkrijk van God valt niet opeens als een warme deken vanuit de hemel over onze wereld.

God heeft zijn woord gezaaid, vanaf het begin: zijn woord van licht, grond onder de voeten, ruimte om te leven, tien woorden om mee te leven.

Zoals Jezus woorden en ook zijn leven van liefde heeft gezaaid.

 

Dat het vaak zo verborgen blijft, Gods Koninkrijk, zo weinig zichtbaar is en zoveel tijd nodig heeft om te groeien, duurt ons vaak veel te lang.

‘Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat’, schreef Gerard Reve al.

Maar dan maken wij ons er te gemakkelijk van af als we de groei van dat Koninkrijk alleen van God te verwachten.

Het Koninkrijk is gezaaid in de wereldakker.

Zaaien is een krachtig, zelfs een spiritueel beeld.

Wie zaait gelooft in toekomst, zaaien is een daad van vertrouwen: je gelooft dat er groei mogelijk is.

Maar zaaien is ook loslaten, overlaten, je gooit het letterlijk uit handen, op hoop van zegen.

God zaait het zaad van het Koninkrijk en vertrouwt de akker toe aan ons om te bewerken.

 

Waarbij wij ons misschien weleens wat te weinig met het zaad, maar teveel met het onkruid, waar onze gelijkenis vandaag overspreekt, bezighouden.

Daar zijn wij goed in, om het onkruid te benoemen.

En er ís ook veel onkruid in onze wereld.

Veel wat het leven bederft of bedreigt, ongeneeslijke ziekten, het huidige virus dat rondwaart, ongelukken, onveiligheid, eenzaamheid, zorgen over jezelf of over je kinderen.

En ook kwaad dat mensen elkaar aandoen, criminaliteit, terreur, pesterijen.

En we moeten erkennen dat wij zelf ook minder fraaie kanten en eigenschappen hebben, het elkaar soms ronduit moeilijk maken, eigen gelijk ten koste van, jaloersheid, machtspelletjes.

 

Onkruid woekert volop.

Hoe al dat onkruid in de wereld of in mensen komt, is lang niet altijd te zeggen.

De gelijkenis laat ons zien dat we de oorzaak van het onkruid, van het kwaad, in ieder geval niet bij de zaaier, bij God kunnen neerleggen.

Zoals de kerk dat wel geleerd heeft, bijvoorbeeld in de Heidelbergse Catechismus:

‘dat gezondheid én ziekte, regen én droogte, rijkdom én armoede, ons niet bij toeval maar uit Gods vaderlijke hand toekomen.

Of in het antwoord dat God er wel een bedoeling mee zal hebben, om ons op de proef te stellen of ons iets te leren, dat het deel is van Gods nu nog onzichtbare plan.

 

Maar, vertelt de gelijkenis, de boer heeft góed zaad gezaaid.

En waar komt het onkruid dan vandaan? vragen de knechten.

Dat is het werk van de vijand, antwoordt de boer.

Dat is geen antwoord dat alles verklaart, en misschien is er ook geen verklaring voor het kwaad in de wereld, de ellende, de tegenslag.

Het ís er, en het is vooral de vraag hoe wij daarmee omgaan.

 

Onze oplossing voor het kwaad in de wereld is dan vaak rigoureus, zoals de knechten in de gelijkenis die het onkruid eruit willen wieden:

we zoeken een zondebok en roepen ‘sluit ze op, zo lang mogelijk, zet ze het land uit’, of nog erger: ‘een bom erop’.

En ook de kerk is onbarmhartig geweest en soms nog steeds, tegen wat beschouwd werd als onkruid, zonde:  

mensen met andere geloofsideeën of levensstijl die volgens de kerk vanuit de Bijbel niet zouden deugen, werden veroordeeld en uit de kerk gezet.

Zo is vanuit de drang om ‘onkruid’ uit te roeien veel schade aangericht.

Veel zaken waar we nu heel anders over denken, over samenwonen, homosexualiteit, moeten trouwen, echtscheiding.

Dat laat dus ook zien hoe beperkt ons oordeel is, hoe dat verschuift door de tijd en geschiedenis heen.

En dat wat als ‘onkruid’ wordt gezien, vaak heel mooi en vruchtbaar graan of bloemenpracht is.

 

Zo is er ook onze neiging om het minder mooie, het onvolmaakte uit ons leven weg te doen, beperkingen moeten weg.

Het leven moet eigenlijk perfect zijn, een paradijs waarin jij kunt doen en hebben wat je wilt.

Imperfectie, afwijkingen, beschadigingen moeten verwijderd of voorkomen worden, van je uiterlijk tot zelfs het kunnen bepalen van het geslacht van je toekomstig kind.

De illusie van de maakbaarheid van het leven, dat er een graanveld kan zijn zonder onkruid, leven zonder tegenslag.

Maar de gelijkenis waarschuwt ons en de boer leert ons geduld:

Met het wieden van het onkruid is het gevaar groot dat je ook het graan mee uittrekt.

 

Is leven niet ook verdragen dat het niet altijd volmaakt is?
Dat er kwetsbaarheid is, dat er groeikracht en pracht schuilt waar je het niet verwacht, soms ook juist in kwetsbaarheid.

Dat te durven zien en daarmee te leven, geeft het leven juist veel meer kleur.

 

Misschien dat het ‘jongske’ uit het gedichtje ons dat leert.

Dat wat wij onkruid noemen vaak prachtig bloeit en ons leven verrijkt.

Mogen we in dat jongske, de zoon van de boer, misschien Jezus herkennen?

Die juist in kwetsbare mensen, ook in zondaars en tollenaars, de groeikracht en de bloemen herkende.

Die niemand afschrijft als onkruid.

Die ziet dat wat onkruid lijkt, vruchtbaar graan kan blijken te zijn:

Zacheüs de tollenaar die zijn leven omkeert, het grote geloof bij de Romeinse hoofdman, bij de heidense vrouw.

Saulus de christenvervolger die tot apostel Paulus wordt.

Of, nu in onze tijd, kinderen uit gezinnen met een niet-nederlandse achtergrond die VMBO schooladvies krijgen, maar veel meer blijken te kunnen.

Vrijdag hoorde ik op de radio nog het enthousiaste verhaal van een jonge vrouw, met wie het  ‘nooit wat zou worden’, maar nu langs omwegen haar eigen bedrijf heeft gestart.

‘Onkruid’ dat prachtig bloeit.

Zoals na terreuraanslagen in Parijs of Brussel nabestaanden van slachtoffers indrukwekkende boeken schreven met titels als: ‘Mijn haat krijg je niet’, ‘Een jihad van liefde’.

Nabestaanden na zinloos geweld soms een mooi gebaar van vergeving kunnen laten zien, of een beweging van roep en inzet voor gerechtigheid op gang wordt gebracht.

En misschien ontdek je, in de loop van je leven, ook van jezelf hoe jij, nooit gedacht, steunend en tot troost en hulp voor anderen bent geweest.

Leer je zien dat waar jij zelf dacht onkruid te zijn, omdat ‘men’ of de kerk dat zei,

dat je mooi en goed bent en voluit mag bloeien op de akker.

 

Daartoe heeft Jezus zichzelf gezaaid, zijn leven van liefde, om mensen tot bloei te brengen.

Wij mogen de vruchten daarvan proeven, vandaag in brood en wijn, om gevoed te worden,

opdat wij vruchtbaar en prachtig te bloeien,

en de wereld wordt tot de prachtige tuin van het Koninkrijk van God.

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 25 Oktober om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:
Lezingen: Nehemia 7: 72b-8:18 en Matteüs 22: 34-46.

Voorganger: ds. Reinhard van Elderen