Zondag 6 augustus 2017

Lezing Oude Testament Jeremia 7 : 1 – 7,

Evangelielezing Matteüs 7: 15- 29, 8: 1,

 

 

Je hoeft geen verstand van bouwen te hebben, om te weten dat het waar is wat Jezus zegt.

Dat een huis gebouwd moet worden op stevige ondergrond.

En waar de ondergrond minder stevig is, daar worden palen de grond in geheid om te voorkomen dat het huis gaat verzakken en, op de lange duur, zelfs in zou storten.

We gaan er hier in Ypenburg of omstreken allemaal vanuit dat ons huis een stevig fundament heeft.

Ook als het stevig waait en zelfs stormt dan gaan we, over ’t algemeen, rustig slapen.

Maar wie wel eens gelogeerd heeft in een strandhuisje en op dat moment een flinke zomerstorm  heeft meegemaakt, weet dat de wind flink op het huisje kan buiken en de golven het zand rond het huis kunnen wegspoelen.

Strandhuisjes hebben meestal geen stevig fundament en op internet zijn filmpjes te zien van met zandzakken verstevigde en ook omgewaaide strandhuisjes.

 

Een huis gebouwd op een rots, of met een stevig fundament, staat stevig ook als het regent en stormt,

maar een huis op zand gebouwd zal, als het flink gaat regenen en stormen instorten en dan blijft er niet veel meer over dan een ruïne of een bouwval.

Dat beeld gebruikt Jezus aan het eind van zijn lange Bergrede, zoals we die lezen in Matteüs 5 t/m 7.

Maar, ook al was Jezus de zoon van een timmerman, we begrijpen wel dat het hier niet om een bouwkundig probleem gaat.

Hoe belangrijk ook!

Dat zien we iedere keer weer als in bepaalde landen bij een aardbeving juist de huizen van de armen getroffen worden, die niet aardbevingbestendig gebouwd zijn zonder stevig fundament.

Of waar bossen gekapt zijn, de huizen van armen op hellingen zijn gebouwd en bij hevige regenval grond en huizen en hutten worden weggespoeld, vaak met honderden doden.

 

Maar bij dit beeld van Jezus van een huis op een rots of op zand gebouwd, gaat het om iets diepers.

Hier gaat het om je levenshuis, het bouwwerk van je leven, wat is daar de basis van?

We gebruiken in ons spraakgebruik daar ook vaak woorden voor die passen bij het beeld dat Jezus gebruikt:

de grond van je leven, het fundament van je bestaan.

En misschien mogen we dit beeld van Jezus ook nog wel breder opvatten.

Dat het ook gaat over het huis van de kerk, het huis van de samenleving.

Waarin je je thuis hoopt te kunnen voelen, waarin je geborgenheid, beschutting en veiligheid zoekt en hoopt te vinden.

Of te kunnen bieden.

Juist ook op momenten dat in het leven, in de tijd en de wereld stormen opsteken.

 

En dat kan zomaar gebeuren.

In je persoonlijke leven, door onverwachte tegenslag,

slechte berichten over je eigen gezondheid of van je gezinsleden, in het ouder worden waarin je steeds meer los moet laten wat je voorheen als vanzelfsprekend deed,

eens elkaar zult moeten loslaten,

of het stormt door een conflict of problemen waar je zomaar in terecht kunt komen.

Onrust in de samenleving waarin het na de financiële crisis gelukkig voor veel mensen weer beter gaan, maar ook dat was een storm die voor heel wat mensen ingrijpende gevolgen heeft gehad, verlies van werk, inkomen, huis of spanning in de relatie.

En nog steeds is het onrustig in de samenleving en in de wereld, de dreiging van de radicale islam, de vluchtelingenstroom, de ongelijke verdeling tussen rijk en arm, het klimaat, spanningen tussen landen en de onberekenbaarheid daarbij van bepaalde wereldleiders.

En dichterbij huis is voor veel mensen de onzekerheid gegroeid wat betreft de eigen toekomst, pensioenvoorzieningen, zorg, medische hulp.

En dan nog de discussie over voltooid leven waardoor ouderen zich onzeker en een last voor de samenleving kunnen gaan voelen.

Allerlei zaken die kunnen schudden aan je leven en levensgevoel, zekerheden, vertrouwen.

En dan het geloof, waarvan je toch altijd dacht dat dat een stevige basis van je leven is, maar ook daarin kunnen scheurtjes komen door vragen of twijfel, als je merkt dat het geloof ook niet op al je vragen een antwoord heeft.

 

En hoe stevig staan we in dat alles als kerk?

Kunnen we staande blijven, als kleiner wordende minderheid midden in de ontkerkelijking, steeds minder mensen die zichzelf gelovig of kerkelijk noemen aan de ene kant,

en daarbij allerlei religies en levensbeschouwingen en stromingen die zich laten horen.

En, misschien nog wel meer dan die vraag ‘kunnen we als instituut kerk ons staande houden?’,

is de vraag ‘kunnen we ons gelovig staande houden, als kerk en ook persoonlijk.

Te midden van al die meningen en visies, en in de vele vragen en discussies die spelen in dit moderne leven.

Als er, op wat voor manier ook, tegenwind is, stormen opsteken in je leven of in de wereld om ons heen.

Heb je dan genoeg geloof en vertrouwen om je te dragen en staande te houden?

Om daarin troost en kracht te vinden, bemoediging, hoop en geborgenheid?

Kun je dat dan vinden in je geloof?

Is het dan, ook in stormachtige tijden, een houvast, grond onder je voeten?

 

Wat is het fundament van je leven?

De grond waarop je levenshuis is gebouwd en is die grond stevig genoeg?

 

Als we kijken naar de korte gelijkenis die Jezus vertelt dan doen de beide mannen hetzelfde: ze bouwen een huis, zagen, timmeren, stenen stapelen en metselen, hoe dat in die tijd dan ook maar ging.

Zoals iedereen zijn of haar eigen levenshuis moet bouwen, met je eigen bouwstenen, talenten en mogelijkheden die bij jou passen.

Het komt blijkbaar niet aan op het uiterlijk van het huis, hoe het er uit moet zien, kleur, vorm, daar geeft Jezus geen details over.

Blijkbaar mag je zelf bepalen hoe je je leven vorm geeft.

Het gaat om het fundament, de grond van je leven, en wat je daarvoor kiest, dat bepaalt of je verstandig of onnadenkend bent, wijs of dwaas zegt een andere vertaling.

En wat bedoelt Jezus daarmee?

 

Deze korte gelijkenis is het slot van de lange Bergrede die Jezus uitspreekt.

Zoals eens Mozes een lange afscheidsrede hield voor het volk Israël na de 40 jarige woestijntocht en het volk oproept de goede keuze te maken:

‘het leven en de dood stel ik u voor, kies dan het leven door de Here uw God lief te hebben, en zijn geboden en regels te doen’.

Zo heeft Jezus, in onze Bijbel drie hoofdstukken lang, allerlei uitspraken, voorschriften, waarschuwingen gezegd.

Niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om te vervullen, zegt Jezus daarbij aan het begin van de Bergrede.

Jezus spreekt zijn Bergrede niet, zoals Mozes bij zijn afscheid, aan het eind van zijn leven,  maar aan het begin van zijn weg door het land.

Het zijn de grondwoorden, grondlijnen van het evangelie dat in Jezus gestalte heeft gekregen.

Het Koninkrijk van God, vrede en gerechtigheid zoeken, God en de naaste liefhebben, niet bezorgd zijn, de andere wang toekeren.

De Wet en de Profeten, en dus al Jezus z’n woorden, waarvan het hart is, zegt Jezus: ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen’.

Hierna, afgedaald van de berg, zal Jezus al zijn woorden waar maken, daadwerkelijk leven en zichtbaar maken.

Vertellend, genezend, heil en heelheid brengend, ook voor zieken, armen, zondaars, hij zal brood breken en delen, en zelfs zijn eigen leven geven.

Om daarin ook ons leven grond en fundament te geven, en zo te laten zien waarop ook wij ons levenshuis kunnen bouwen.

 

Als we dan luisteren naar al die woorden die Jezus in de Bergrede gesproken heeft, dan zien we dat het geen uitgebreide theoretische, dogmatische geloofsleer is die je voor waar moet houden.

Dat het niet gaat om mooie woorden, zoals de valse profeten spreken, maar die geen goede vruchten opleveren.

Dat het niet gaat om ‘Heer, Heer’ zeggen,

of, zoals Jeremia het zegt : 3 keer roepen ‘Dit is de tempel van de Heer’ wil nog niet zeggen dat je daarmee God aan je kant hebt en zelf op het goede pad bent.

De tempel, de kerk op zich is nog geen waarborg voor zekerheid, is geen doel maar een middel om mensen bij God te brengen.

In de tempel leer je wat gerechtigheid is, rechtvaardig handelen, liefde doen, zwakken beschermen.

Doen wat God van ons vraagt, de woorden van Jezus horen en ernaar handelen.

Daar je leven, je levenshuis op bouwen, dat is wijs en verstandig.

 

Want dat geeft je leven grond en betekenis.

Leven vanuit Gods woord, al Jezus z’n woorden, voorbeeld, inspiratie, geloven en vertrouwen en van daaruit leven met elkaar,

dat geeft verbondenheid met God en met elkaar,

verbondenheid die groter en meer is dan jijzelf alleen.

Verbondenheid waarin je mag ervaren dat je niet, nooit alleen bent en dat je daarin je geborgen mag voelen, gedragen wordt, troost kunt vinden.

Een betrouwbaar huis om in te leven, wat er ook gebeurt aan storm of tegenwind.

 

Zo’n huis is niet zomaar gebouwd en af,

dat heeft voortdurend onderhoud nodig zoals ieder huis.

Jezus z’n woorden zijn een oproep om daar iedere dag mee bezig te zijn.

En dat ook met elkaar te delen, daarvoor zijn we kerk.

Dat schept ook weer verbonden.

Samen inspiratie te zoeken : in de Bijbelwoorden, bidden, mediteren, zingen,

in ons omgaan met elkaar, in zorg voor elkaar en de samenleving en wereld om ons heen,

Zoals we straks zullen zingen:

‘Zing maar en bid, en ga Gods wegen, doe wat uw hand vind om te doen’.

zo bouwen aan vertrouwen en geloof.

Om te vinden en voor elkaar te zijn : een rotsvast huis van geborgenheid, hoop, geloof en liefde.

 

 

 

Leven-dig gesprek:

Alvast noemen we de beide Leven-dig Gesprek avonden:

Maandag 6 februari Birgit Meijer, cultureel antropoloog, over de veranderende rol en plaats van religie in onze tijd.

Donderdag 16 maart: de voorstelling ‘Hier sta ik – dansen en vechten met Maarten Luther’, door Kees van der Zwaard. Deze voorstelling wordt samen met wijkgemeente Nootdorp georganiseerd.

Van harte aanbevolen om deze data in uw agenda te reserveren.

De werkgroep Vorming en Toerusting

Zondag 7 februari 2016

Psalm 33 gelezen en gezongen:

Lezing Oude Testament Psalm 33: 1 – 17, Zingen antwoordpsalm: Lied 33: 7 en 8

Evangelielezing Lucas 5: 1 – 11

 

 

 

In de vorige Bijbelvertaling stond boven ons verhaal van vanmorgen uit Lucas nog het opschrift:  ‘De wonderbare visvangst’.

Nu is er door de redacteuren boven gezet: roeping van Simon, Jakobus en Johannes.

Dat brengt het verhaal voor ons misschien dichterbij.

De aandacht is verschoven, van het wonder van de onverwacht overvolle netten,

naar de leerlingen die door Jezus worden geroepen en ingeschakeld,

nu als vissers van mensen.

De aandacht van het verhaal is verschoven van het overweldigende resultaat naar de weg daar naar toe.

Een weg die de leerlingen gaan met aarzeling en zelfs tegenstribbelen.

En in de keuze van het thema, vanuit de voorbereiding met de werkgroep zwo, hebben we, naast vertrouwen, óok aarzeling en twijfel laten doorklikken.

‘Op hoop van zegen’, je hoopt erop, vertrouwt erop, op goed resultaat, van dat wat je gaat doen, maar helemaal zeker ben je er niet van.

 

In het boek van Herman Heijermans, ‘Op hoop van zegen’, dat deze weken als toneelstuk door toneelgroep De Appel in Scheveningen wordt gespeeld, is het de naam van de vissersboot  die uitvaart, uiteraard in de hoop op een zegenrijke, goede vangst.

Maar dat die hoop niet altijd bewaarheid wordt, vertelt het verhaal als in een storm het schip vergaat en moeder Kniertje haar beide zonen daarbij verliest.

‘De vis wordt duur betaald’.

 

En zo hebben ook Simon en zijn medevissers de hele nacht gezwoegd, maar niets gevangen.

Zoals dat soms gaat, je doet zo je best, op school, op je werk of juist op zoek naar werk,

in je relatie, je contact met misschien je ouders, kinderen, om het goed te laten zijn,

je probeert vertrouwen te houden, maar het lijkt tevergeefs, het breekt je bij de vingers af.

Je blijft achter met lege handen.

Lege netten, ze tekenen de schraalheid van het leven, in de wereld, voor zoveel mensen, veraf maar ook dichtbij.

Door tekort aan dagelijks eten, een plek om in vrede en welzijn te wonen.

Maar ook verdriet, zorgen, voortdurende conflicten, ziekte, kunnen je dat lege, schrale gevoel geven dat het eigenlijk allemaal zinloos is.

Troosteloos, vruchteloos , om moedeloos van te worden.

Kijk ook naar de grote problemen van deze tijd, die zich maar op lijken te stapelen.

De vluchtelingen, uitwassen waarvan we horen zoals in Keulen, het extremistische geweld.

En je wilt wel het goede blijven zien en doen.

Je wilt niet vervallen in vooroordelen en zwart-wit beelden, je wilt niet de angst laten overheersen.

En wel het Bijbelse gebod van naastenliefde voor ogen blijven houden en in de praktijk brengen, maar je merkt soms bij jezelf dat de twijfel en de weerstand groeit.

Dat al je goede bedoelingen zinloos voelen.

Lege netten.

 

En wat kan je dan, in al die situaties, de moed geven en het vertrouwen om toch door te blijven gaan?

Vast te houden aan je ideeën en gedachten, aan je, Bijbelse, normen en waarden.

Blijven hopen en vertrouwen dat het toch anders kan worden.

Opnieuw het net uit te gooien,

in ons Bijbelverhaal midden op de dag dus tegen alle logica in.

Welke stem kan ons daartoe aanspreken?

Welke stem kan je zo raken dat je toch weer doorgaat, nog een keer probeert.

Op hoop van zegen.

 

Een tegenstem, tegen al die andere, soms schreeuwende stemmen in.

Een stem van buiten, een goddelijke stem, in het Bijbelwoord,

of een stem in je, je geweten, mee gevormd door je geloof?

Een tegenstem.

Tegen de vele stemmen die om ons heen klinken, in de samenleving.

Stemmen van eigen belang, kiezen voor zekerheid, voor je zelf.

Stemmen die zeggen dat het allemaal geen zin heeft, een bodemloze put, druppel op een gloeiende plaat, parels voor de zwijnen.

Het is de stem van Simon die zegt: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen’.

Maar dat is toch niet het laatste woord.

Goed, zegt Simon, we zullen het nog een keer proberen, al geloof ik er niet in, maar omdat u het zegt.

Op uw woord.

 

Dat woord van God, dat hier iedere zondag weer klinkt.

Als een tegenstem, tegen al die stemmen dagelijks om je heen, vanuit het nieuws.

Om moedeloos en cynisch van te worden.

Daar tegenin klinkt het woord, de stem van God, van de Bijbelse boodschap, om niet de moed en de hoop op te geven, richtinggevend.

Simon en zijn maten gooien de netten nog een keer uit, op hoop van zegen, en ze vangen zoveel vis dat hun netten dreigen te scheuren.

Ze roepen de vissers in de andere boot om hen te helpen, zoveel vissen hebben ze gevangen dat de boten bijna zinken.

Door toch, geïnspireerd vanuit het Bijbelse woord, op hoop van zegen,

toch maar aan de slag te gaan, met andere medestanders en medewerkers om je heen,

komt er dan soms, onverwacht misschien, meer resultaat dan je had gedacht.

Dan je had durven hopen.

En dan kan vertrouwen groeien om, zoals de leerlingen, Jezus te volgen.

Om, zoals Jezus zegt, niet bang te zijn.

 

Jezus roept de leerlingen tot vissers van mensen, Jezus sluit daarin aan bij hun leefwereld, hun talent, wat ze kunnen.

Om mensen te vangen, uiteraard niet zoals vissen om te sterven, maar juist om te leven.

Het woord dat er staat betekent vooral : redden, levend vangen, niet om hen van vrijheid te beroven, maar juist om mensen de ruimte en de vrijheid van het evangelie te geven.

 

Jezus sluit aan bij hun talenten, als vissers.

Als het boeren waren geweest had Jezus misschien gezegd: jullie zullen mij woord zaaien in de mensen.

Of bouwvakkers: jullie zullen met mensen mijn gemeente opbouwen.

Of managers: jullie moeten mensen en structuren zo organiseren dat de bouw van het Koninkrijk van God ermee gediend wordt.

Zo worden wij geroepen en ingeschakeld, aansluitend bij onze talenten, ieder op zijn of haar eigen manier en plek in het leven en in de kerk.

God, het koninkrijk van God kan gediend worden met de gewone dingen van alle dag.

En soms laten we ons misschien inschakelen met aarzeling en tegenstribbelen,

en is het  resultaat zoals bij de leerlingen meer gave dan eigen prestaties.

Maar wel wordt van ons gevraagd mee te werken, ons in te zetten, waar we dat kunnen.

Steeds weer, letterlijk, op hoop van zegen.

 

En waar wij vanuit hoop op zegen leven en delen, zal hoop ook voor anderen groeien.

Dat kan bijvoorbeeld heel concreet door het Kerk in Actie collectedoel van vandaag.

Onze, voor je gevoel misschien kleine gift, of op andere momenten een klein gebaar, een eenvoudig woord, kan hoop doen groeien.

Hoop op zegen.

 

 

Zondag 1 mei 2016

Dienst van Schrift en Tafel.   Evangelielezing Johannes 14: 23 – 29,

 

Het is alweer de 6e zondag van Pasen.

Langzaam verwijderen we ons in de tijd van Pasen.

Dat klinkt ook door in de namen van de zondagen : van zondag Jubelt, 2 weken geleden, naar vorige week : ‘Zingt’ en vandaag zondag Rogate: ‘Bidt of vraagt’.

Een neergaande lijn gezien vanuit Pasen, in ieder geval steeds meer ingetogen, steeds minder uitbundig.

Zoals je na een bijzonder, geweldig feest nog een poosje, een aantal dagen nageniet, maar langzamerhand verdwijnt het uit je gedachten en je gevoel.

Gaat het gewone leven weer verder.

Zo is het ook in de kerk, alsof we na Pasen met de uitbundigheid van Licht en Leven en Opstaan, weer steeds meer terugkeren naar de realiteit,

de dagelijkse werkelijkheid waarin van opstanding en overwinning op zonde en dood nog niet veel te zien en te merken is.

 

En de afstand tot de Opgestane Heer van Pasen wordt nog groter.

Komende donderdag, de 40ste dag na Pasen, is het Hemelvaartdag.

We bereiden ons vandaag op deze zondag ook voor op het afscheid van Jezus.

Volgende week, de zondag na Hemelvaart, heeft zelfs de naam ‘Wezenzondag’, naar de woorden van Jezus ‘Ik zal jullie niet al wezen achterlaten’.

Jezus belooft de komst van de Heilige Geest, maar Jezus zelf is dan niet meer in het midden van zijn leerlingen.

In oude kerkelijke tradities werd dan ook op Hemelvaartdag de Paaskaars uitgeblazen, om zo symbolisch uit te drukken dat de levende Heer niet meer op aarde is.

 

In onze lezing van vanmorgen spreekt Jezus met zijn leerlingen over zijn afscheid.

Het is een gedeelte uit de lange afscheidsrede van Jezus bij de  laatste maaltijd met zijn leerlingen voor zijn gevangenneming.

Dit gesprek van Jezus met zijn leerlingen neemt bij Johannes een grote plaats in, maar liefst 4 hoofdstukken zijn hier aan gewijd.

Woorden bij Jezus z’n afscheid.

Alsof Jezus nog één keer wil zeggen waar het Hem, waar het in zijn leven en de boodschap van zijn leven om gaat.

Je kunt ook zeggen : Jezus geeft hier zijn testament aan zijn leerlingen.

Zijn nalatenschap, zijn erfenis geeft Jezus hen en daarmee ons in handen, vertrouwt Jezus ons toe.

En van die vier hoofdstukken, uit dat lange gesprek, zijn de verzen die wij vanmorgen gelezen hebben misschien wel de kern:

‘‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen’.

 

In zijn woorden van afscheid spreekt Jezus dus over zijn aanwezigheid.

‘Bij hem komen en in hem wonen’.

Aanwezigheid, in wie zich houdt aan wat Jezus zegt, wie zijn geboden doet, zegt Jezus enkele verzen daarvoor, en zo Jezus liefheeft.

Jezus zegt niet: ‘Wie gelooft in wat ik zeg’, maar ‘wie zich houdt aan wat ik zeg’.

Doet en leeft zoals Jezus het heeft verteld en voorgedaan.

Dat is Jezus, dat is God liefhebben.

 

Het is opvallend dat Johannes nergens in zijn evangelie het dubbelgebod noemt, zoals de andere evangelisten dat hebben: ‘God liefhebben en de naaste als jezelf’.

Voor Johannes is dat hetzelfde.

God liefhebben kan niet zonder de ander lief te hebben.

Elkaar liefhebben is voor Johannes het antwoord van ons mensen op de liefde van God voor ons.

En waar wij elkaar liefhebben daar, zegt Jezus, ‘zullen mijn Vader en ik komen en wonen’.

Daar is God aanwezig, daar blijft Jezus in ons midden.

In de onderlinge liefde.

Met de woorden van het Taizé lied: Daar waar vriendschap is en liefde, daar is God met ons.‘

 

De woorden ‘liefde’ en ‘liefhebben’ komen vaak voor bij Johannes, veel vaker dan bij de andere evangelisten.

En dan verreweg het meest als werkwoord.

Liefde doen.

Liefde niet als gevoel, in de zin van de romantische liefde, of elkaar aardig vinden.

Maar liefde als levenswandel, als verantwoordelijkheid, solidariteit, elkaar helpen en steunen als dat nodig is, meeleven.

 

Waar wij elkaar zo liefhebben, daar is God, daar kan de aanwezigheid van God ervaren worden.

Dat geeft ons dus ook een grote verantwoordelijkheid.

Als men zegt dat in deze tijd, in onze tijd, zo weinig van God te merken is, dat ligt dat dus voor een deel misschien wel aan ons.

Dat wij te weinig, zichtbaar en merkbaar, liefhebben, in liefde leven.

Leven zoals Jezus het ons heeft gezegd en voorgedaan.

Dat is de erfenis die Jezus zijn leerlingen, ons in handen geeft.

Als je een erfenis krijgt, probeer je ‘in de geest van’ degene die je de erfenis heeft nagelaten, daarmee om te gaan.

Om ‘in zijn geest’ met zijn erfenis te leven belooft Jezus de komst van de Heilige Geest.

De Pleitbezorger zegt onze Bijbelvertaling,

je zou ook kunnen zeggen ‘advocaat’ , in de zin van iemand die je te hulp komt, een helper.

Om ons steeds weer de woorden van Jezus in herinnering te roepen en duidelijk te maken.

Ons ‘te binnen te brengen’, dat is niet alleen je iets herinneren van toen, lang geleden,

dat is de woorden van Jezus je eigen maken, tot je innerlijke bron maken, om daar uit te leven.

Om in verbondenheid met Jezus, om in zijn Geest te leven.

 

Om ‘in vrede’ te leven.

Dat is wat Jezus belooft:

‘Ik laat jullie vrede na. Mijn vrede geef ik jullie’, ‘zoals de wereld die niet geven kan’.

Sjaloom, vrede, dat is meer dan de afwezigheid van oorlog en strijd.

Dat is niet de vrede waar onze kranten over schrijven, dat is vaak een wankel evenwicht, ja zelfs letterlijk een gewapende vrede, zolang partijen zich aan de afspraken houden.

Sjaloom, vrede in Bijbelse zin is breder: is harmonie, welzijn, volheid van leven, gerechtigheid, goede verhoudingen tussen mensen en volken.

Ook al vieren wij deze week ‘vrede’, ook van die vrede is in onze wereld nog lang geen sprake, en dat was in de tijd van Jezus en zijn leerlingen, met de onderdrukking door de Romeinen, niet anders.

De vrede die Jezus bedoelt gaat dan ook nog een laag dieper.

De vrede die Jezus bedoelt, zíjn vrede, hangt samen met de weg die Jezus zal gaan.

De weg van het kruis, de weg van liefde tot het uiterste, waaruit God nieuw begin van leven zal geven.

Dat is de vrede die Jezus bedoelt, de vrede van de liefde die uiteindelijk alles zal overwinnen.

De vrede die je kunt ervaren als je gelooft dat ook in het diepste, in de kwetsbaarheid van het leven God nabij is en je draagt, geborgenheid geeft.

 

Die God, zegt Jezus, die zul je ervaren, die komt en woont in je, als je lief hebt, als je de woorden van Jezus doet, als wij elkaar liefhebben.

Dan groeit de verbondenheid met God, en daarin onze verbondenheid met elkaar, die vrede geeft.

De vrede die we elkaar straks toewensen bij het avondmaal.

En iedere dag kunnen laten groeien door God en elkaar lief te hebben.

Dan zal Jezus ook na zijn afscheid, dan zal God blijvend wonen in deze wereld.

‘Gij blijft nabij o Heer, met zegenende handen’.

 

 

Zondag 3 mei 2015

Evangelielezing Johannes 15: 1 – 8,

 

In de boeken top 10 staat al enkele weken op nummer 1 het boek van Joris Luyendijk ‘Dit kan niet waar zijn’.

Het boek is een verslag van zijn onderzoek in het financiële centrum van Londen.

Luyendijk beschrijft daarin hoe het daar in de City in Londen alleen nog maar gaat om cijfers, rendementen, meetbare doelen, targets.

De bezieling en de moraal zijn uit het werk verdwenen en het gesprek erover ook.

Mensen doen hun werk zoals dat gevraagd wordt en laten daarbij hun moraal thuis.

Ook mensen die religieus zijn laten die waarden van kerk, moskee of synagoge volledig buiten beschouwing bij hun werk, zegt Luyendijk.

Mensen worden door het systeem waarin ze werken gedwongen daarin mee te gaan, hebben voor hun gevoel ook geen keus daarin.

Het gaat om hoge winsten, bonussen, zelfs worden mensen opgelicht, zó dat het nog net past binnen de regels en de wetten.

Maar het gesprek over wie je wilt zijn, als mens, wat je idealen zijn, je eventuele religieuze waarden, de verbinding daarmee, zijn ze helemaal kwijtgeraakt.

Ten minste in hun werk.

 

In een interview in het dagblad Trouw zegt Luyendijk dat dat niet alleen geldt voor de financiële wereld in Londen, maar dat dat ook over ons land gaat, over ons.

Op avonden waar hij spreekt zeggen mensen tegen hem:

“bij ons in het ziekenhuis, in het bedrijf, op school gaat het net zo.

De waarde van het werk wordt niet meer bepaald door het nut ervan, maar door de cijfermatige output”.

 

Bij zorgverzekeringen lijkt het meer te gaan om de kosten en dus beperking daarvan dan om wat nodig is voor het welzijn van mensen.

Ook aan de politiek van dit moment klinkt vaak dat verwijt: het gaat alleen maar om economische cijfers en niet meer om visie op de samenleving, om de waarden die we hoog willen houden.

Het beleid is succesvol als de beoogde bezuinigingen worden gehaald, zonder dat daarbij nog wordt gevraagd wat al die maatregelen voor mensen persoonlijk en voor de samenleving betekenen.

En ook internationaal vraag je je soms af welke belangen doorslaggevend zijn bij wel of niet ingrijpen in een bepaald land of situatie, of ook daar niet vaak meer economische dan humane redenen meespelen.

 

En wat in dat alles voor de één zoete vruchten zijn, van prestaties en succes, zijn soms voor anderen wrang en zuur.

 

Ik denk dat het beeld dat Luyendijk beschrijft, en ook de mensen die reageren met ‘bij ons in het bedrijf gaat het net zo’, dat dat ook voor velen van ons in meerdere of mindere mate  herkenbaar is.

Het belang van cijfers en prestaties, van winst en percentages, doelen waaraan je in je werk moet beantwoorden, waarbij je je eigen ideeën, idealen en waarden soms maar even uit moet schakelen.

En dat roept de vraag op hoe je in dat systeem, in je werk, in de samenleving toch daarmee verbonden kunt blijven, jezelf trouw kunt blijven met jouw waarden, je geloofsgedachten en ideeën.

Hoe daarbij verbonden te blijven met de bron, ook de geloofsbron waaruit je wilt leven?

 

‘Blijf in Mij’ zegt Jezus in de evangelielezing van vanmorgen, ‘dan zul je veel vrucht dragen’.

Jezus gebruikt daarbij het beeld van de wijnstok, zoals hij vaker beelden neemt uit het gewone leven: brood en wijn, licht, water.

De wijnstok is een bekend beeld in de Bijbel.

In het Oude Testament is het het beeld voor het volk Israël, de wijngaard die God heeft uitgegraven en verzorgt in de hoop op goede vruchten.

Wijnstok en wijngaard zijn beelden van het goede leven, leven in vrede en gerechtigheid.

Noach plant als eerste, na de zondvloed een wijngaard.

De profeten dromen van een goede toekomst waarin ieder zal zitten onder de eigen wijnstok en vijgenboom.

En niet voor niets is het eerste teken dat Jezus doet volgens het Johannesevangelie, water in wijn veranderen.

De feestdrank waarvan wij straks in de viering van het avondmaal mogen proeven.

En nu zegt Jezus van zichzelf dat hij de ware wijnstok is.

De aanplant van God die goede vruchten draagt.

En als wij als ranken aan de wijnstok, ‘in Hem blijven’ zullen ook wij goede vruchten dragen.

Vruchten van het goede leven voor ieder mens: barmhartigheid en zorgzaamheid, rechtvaardigheid, vrede.

 

‘Blijf in Mij’, het klinkt meerdere keren in het gelezen gedeelte, en : ‘laten mijn woorden in jullie blijven’.

En na onze lezing gaat het nog verder ‘blijf in Mijn liefde’.

 

‘Blijf in Mij dan blijf ik in jullie’.

Dat gaat over verbondenheid, wederzijdse verbondenheid.

De wijnstok kan niet zonder de ranken, dan zou het een dood stuk hout zijn.

De ranken kunnen niet zonder de wijnstok, dan is er geen sapstroom en komen er geen vruchten.

Die verbondenheid wil het goede leven met goede vruchten in ons doen groeien.

Maar hoe kunnen wij die verbondenheid vasthouden?

Juist ook in onze samenleving, in ons werk misschien wel, waar zoveel stemmen en eisen zijn die je van die verbondenheid willen losmaken, los van de wijnstok, van de bron van Bijbel en geloof.

De maatschappij waarin vaak heel andere vruchten worden gevraagd dan de vruchten van liefde en barmhartigheid en van gerechtigheid die het Bijbelse beeld van de wijnstok oproept.

 

Volgens de woorden van Jezus is het daarvoor nodig dat wij als ranken gesnoeid worden.

Dat klinkt rigoureus en ook pijnlijk.

Maar laten we dat snoeien niet meer uitleggen als datgene wat moeilijk en pijnlijk is in ons leven en wat ons dan zou moeten reinigen en richten op God.

Als een soort goedbedoelde levenslessen, God die ons beproeft met tegenslagen.

Dat past toch niet meer bij ons Godsbeeld van liefde en barmhartigheid?

 

Zou Jezus met snoeien niet veel meer bedoelen dat we niet grenzeloos leven, niet ten koste van anderen, dat we ons beperken, geen grenzeloze hebzucht van steeds meer willen.

Niet ons overgeven of afhankelijk maken van dat wat ons afhoudt of zelfs wil losweken van de bron van ons bestaan, van onze geloofsbron.

Maar vasthouden aan die bron en daaruit leven.

 

‘Ik ben de wijnstok’ zegt Jezus, ‘en jullie zijn de ranken’.

En net zoals ‘woord’ en ‘daad’ hetzelfde zijn, is in de Bijbel ‘zijn’ hetzelfde als ‘doen’.

De ‘Ik ben’ woorden van Jezus herinneren ons ook aan de Godsnaam : “Ik ben die Ik ben, die ik zal zijn.

Een naam als een werkwoord.

Wie je zegt dat je bent, zo moet je ook doen, leven, werken.

 

Dat dat niet gemakkelijk is laat ons het boek van Joris Luyendijk zien.

Maar de inspiratie daartoe is te vinden in het vasthouden van die verbondenheid met de woorden van Jezus, van het evangelie.

In het vieren, het gesprek met elkaar daarover gaande houden, elkaar te inspireren en te steunen daarin, en zo ook de verbondenheid met elkaar daarin te blijven ervaren.

Die verbondenheid met Christus en met elkaar mogen wij vandaag ontvangen en vieren in brood en wijn.

Om zo geïnspireerd en gevoed te worden tot een vruchtbaar leven, met goede vruchten.

 

U bevindt zich hier: Home Gemeente Downloads Zondagsbrieven Uncategorised