Wat kun je zeggen als iemand een grote tegenslag, een groot verdriet is overkomen?

Verlies van een geliefde, partner, kind, uitslag van ernstige ziekte, als die ander zelf of één van de naasten slachtoffer is van een ongeluk, aanslag of ramp.

Waar vind je de woorden, wat zijn de goede woorden in zo’n situatie?

Herkenbaar, denk ik.

Dat je wel wat wilt zeggen of schrijven, maar je weet niet wat en je wilt zeker niet iets verkeerds zeggen, of dat het niet goed overkomt.

Misschien is het het beste om dat dan maar te zeggen of te schrijven:

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘er zijn geen woorden om jouw verdriet te beschrijven’.

 

In het verhaal van Job horen we verschillende reacties op de rampspoed die Job overkomt.

Allereerst van Job zelf, vorige week in hoofdstuk 1, na verlies van vee en knechten en zelfs zijn kinderen,

en nu weer, na nog meer ellende, verlies van Job z’n gezondheid.

We horen de reactie van Job z’n vrouw en van z’n drie vrienden die bij Job komen, die nu zwijgen maar dat zal de komende  hoofdstukken wel anders zijn.

Wat trouwens ook voor Job zelf geldt, ook Job z’n vroomheid verandert, in vragen, in stilte, en daarna  in klachten en verwijten naar God.

 

Allereerst horen we wat Job zelf te zeggen heeft.

In hoofdstuk 1 na het verlies van z’n vee, runderen, schapen en geiten, knechten én z’n 10 kinderen, horen we Job zeggen wat je soms nog in een overlijdensadvertentie kunt lezen:

‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.

Maar dat staat er niet in de tekst, de Hebreeuwse Bijbeltekst !

Er staat niet: ‘de Heer zij geprezen’, zoals onze vertaling het zegt.

Dat zou toch ook wel erg veel gevraagd zijn, dat je God zou moeten prijzen als allerlei ellende je overkomt.

Job zegt: ‘de naam van de Heer is gezegend’.

Dat staat er: ‘gezegend’.

Niet vervloekt, niet ontkracht, niet omlaag gehaald.

Maar ‘gezegend’.

Ondanks alles wat hem overkomt houdt Job Gods Naam hoog, houdt hij daaraan vast.

Hier klinkt ook de Godsnaam zelf, JHWH, Adonai zeggen de joden omdat zij uit eerbied de naam van God niet uitspreken, in onze vertaling wordt dat weergegeven met HEER.

Gezegend die naam van de HEER, die betekent en zegt: ‘Ik ben erbij’.

Job houdt vast aan die naam van God,

die naam die waar blijft wat er ook gebeurt in ons leven, en die zegt dat God ons daarin niet loslaat.

 

Het is, aan het eind van het eerste hoofdstuk, een voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, er zal nog heel wat gesprek en discussie volgen,

met Job z’n vrienden en ook met God zelf.

Het is een eerste, voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, op de vraag naar het lijden en wat God daarmee te maken heeft.

Misschien moet je zeggen: dat was het antwoord dat Job geleerd had, vanuit zijn geloofstraditie, een aangeleerd antwoord zoals dat paste in zijn tijd: hoe te geloven in tijden van ongeluk en tegenslag.

En dat kan misschien ook niet anders op zo’n moment van diep verdriet en verslagenheid.

Misschien is het zelfs wel goed dat je dan woorden, liederen, hebt die je van jongs af aan hebt geleerd en meegekregen.

Voor die momenten dat je zelf geen woorden hebt, als je door verdriet niet meer weet wat te zeggen.

 

Ik las in één van de boeken met uitleg van het Bijbelboek Job een waar gebeurd verhaal.

Over een gezin, vader, moeder, 3 kinderen, goed gelovig en kerkelijk.

Op een dag komt het middelste kind, een jongetje tijdens het spelen onder een auto en overlijdt.

Het verdriet van de ouders is groot, maar ze kunnen het verwerken.

‘De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen’, schrijven ze in de overlijdensadvertentie.

Zo ervaren ze het ook, vanuit hun geloof.

Een jaar gaat voorbij, met veel verdriet, maar ook in een zekere rust, berusting.

Maar na een jaar verandert dat.

Vooral de moeder komt in opstand, ze kan het niet verkroppen de vriendjes van haar zoon te zien opgroeien terwijl haar kind er niet meer is.

Het gezin gaat verhuizen.

Ook na de verhuizing blijft de moeder boos en opstandig,

haar man en andere mensen begrijpen haar niet, het geloof was ook haar toch altijd zo tot steun geweest?

Gaandeweg valt ze van haar geloof af, ze kan niet meer geloven in een liefdevolle en goede, machtige God die haar dit leed aandoet.

Natuurlijk meende zij wat ze in de overlijdensadvertentie hadden geschreven.

Zo was het geloof dat ze had meegekregen van huis uit.

Maar door haar ervaring, door haar verdriet is haar geloof veranderd, en zelfs verdwenen omdat ze geen ander beeld van God kon vinden en geloven.

 

Of Job het aan het eind van zijn verhaal nog steeds in God zal geloven, en aan die naam van God ‘Ik ben erbij’ zal vasthouden?

Of Job het dan nog steeds zó zal zeggen?

Misschien, maar dan is er inmiddels wel heel wat gesprek en discussie geweest, met de vrienden van Job én met God.

Ook Job is dan veranderd in zijn geloof in God.

 

Vandaag hebben we gehoord hoe Job nóg meer ramspoed overkomt, alsof het nog niet genoeg was.

Satan komt opnieuw bij God.

Satan, de duivelse stem die vooral willen vernielen en uit elkaar halen, de onruststoker,

de stem van het cynisme die twijfelt aan geloof en trouw en goedheid,

de stem die vooral gelooft in egoïsme en eigenbelang.

Opnieuw daagt hij God uit: ‘als Job z’n gezondheid, z’n leven op het spel komt te staan, dan zal hij u zeker vervloeken.’

En opnieuw krijgt Satan de ruimte nu om Job z’n gezondheid aan te tasten, vol zweren zien we Job zitten in stof en vuil.

 

Dan horen we voor het eerst over de vrouw van Job, ze blijft naamloos, en hierna zullen we in heel het boek Job niet weer van haar horen.

Twee verzen krijgt ze, niet meer, ze lijkt in heel het verhaal niet belangrijk, maar ze zet Job hier toch aan het denken.

Zij stelt de vraag die ook tussen God en Satan speelt:

‘Waarom nu nog vroom blijven, waarom na al die ellende die je overkomt toch nog vasthouden aan je geloof, trouw blijven aan God?

Ze confronteert Job met z’n dood: ‘Zeg God vaarwel en sterf’, maak een einde aan je lijden.

Of ze het goed bedoelt of niet, we zien dat haar woorden iets veranderen bij Job.

Job zegt nu niet meer heel stellig: ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer is gezegend’.

Zijn zekerheid is tot vraag geworden:

‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’.

Bij dat laatste, ‘het kwade aanvaarden’ noemt Job God niet.

En een vraag horen we nu.

Geen van jongs af aan geleerde geloofsuitdrukking meer,

Job spreekt nu vanuit zijn eigen ervaring en gevoel.

En de naam van de HEER, JHWH, Adonai, Ik ben erbij, klinkt hier ook niet meer.

Job noemt nu de veel algemenere godsnaam ‘Elohiem’ , in onze vertaling niet met HEER maar met God weergegeven, of godheid zou je ook kunnen zeggen.

Op dit moment, in het diepste van zijn lijden, kan Job God niet meer als de Nabije ‘Ik ben erbij’ herkennen zoals hem dat altijd is geleerd.

Die God is voor hem meer vreemd geworden, op afstand,

- wie groot verdriet en lijden kent zal dat misschien op momenten herkennen, dat God soms ver weg lijkt -, 

naar die God, Elohiem, zal vanaf hoofdstuk 3 Job z’n klacht klinken.

 

Aan het eind van het boek Job, vanaf hoofdstuk 40 zullen we horen hoe Job weer tot Adonai, HEER, ‘Ik ben erbij’, spreekt.

Als Job dóór zijn ervaring, door al zijn verdriet en pijn en klachten heen, opnieuw heeft ontdekt wie God daarin voor hem is.

 

Hier in hoofdstuk 2, is Job veel minder stellig en zeker over wie God voor hem is, hij neemt wat afstand, durft vragen te stellen.

Maar lezen we daarbij met nadruk: in dit alles zondigt Job niet en spreekt geen onvertogen, geen verkeerd woord.

Blijkbaar mag dat als het gaat over geloven.

Dat je je vragen mag stellen, als je het allemaal niet meer zo zeker weet over God en wat God met je leven, je lijden te maken heeft.

 

Hierna zwijgt Job, 7 dagen en nachten.

Na de geloofszekerheid, na de vragen, wordt hij stil,

wat is er nog te zeggen?,

Job heeft geen woorden meer om zijn verdriet en pijn uit te drukken.

En geen antwoorden meer.

 

En dan de vrienden van Job.

Wat hebben zij te zeggen tot hun vriend in de ellende die hem overkomen is?

Ze zullen de komende hoofdstukken nog heel veel zeggen,

ze komen om Job te troosten, maar het zal erop uitlopen dat ze Job eigenlijk beschuldigen met hun conclusie dat Job wel gezondigd zal hebben,

dat was de geloofsgedachte in die tijd: ieder mens wordt beloond naar de goedheid of slechtheid van de eigen daden.

Job zal het wel verdiend hebben, zijn eigen schuld dat hem al deze ellende is overkomen.

 

Maar dat zeggen ze nu nog niet.

Nu doen ze zoals echte vrienden, vriendinnen doen: ze zijn er.

Ze gaan naar Job toe.

Hoe vaak hoor je niet dat mensen het af laten weten al beloven ze langs te komen, te bellen.

In tijden van nood leer je je echte vrienden kennen, zegt men.

De vrienden van Job komen écht, om bij hem te zijn in zijn ellende, het daarin met hem uit te houden.

Als echte vrienden.
Ze nemen alle tijd daarvoor, zeven dagen en zeven nachten.

Zwijgen ze, met Job.

Geen troostwoorden, om Job op te beuren,

Geen woorden, die hoe goed bedoeld ook toch de plank mis slaan:

‘ik begrijp hoe erg het voor je moet zijn, kijk eens naar wat je allemaal nog wel hebt, het komt wel goed’, kop op’ en dat soort clichés.

Maar troostrijk zwijgen,

zo zitten de vrienden bij Job, ze zien hoe hij lijdt en begrijpen dat er geen woorden zijn die kunnen troosten.

Ze zwijgen, de vrienden, en wachten totdat Job er aan toe is om te spreken.

 

Het is al te menselijk om te proberen een antwoord, een verklaring te vinden als onheil, lijden jou of een ander treft.

Of dat antwoord er is? En of daarin dan troost te vinden is?

Job laat ons zien dat je in wat je overkomt je eigen weg mag, ja moet gaan,

met alle geloof, al het zoeken en je vragen en angsten daarbij.

Zelf zul je moeten ontdekken wie God voor jou is daarin.

Maar hopelijk niet alleen, hopelijk met mensen die het daarbij met je uit willen houden, ook in de stilte.

Mensen in wie we, hoe dan ook, God zelf mogen herkennen.

            Onzegbaar ons nabij,

zo menselijk in ons midden

dat God ons lied, onze vragen en zuchten wel zal verstaan.

Wat kun je zeggen als iemand een grote tegenslag, een groot verdriet is overkomen?

Verlies van een geliefde, partner, kind, uitslag van ernstige ziekte, als die ander zelf of één van de naasten slachtoffer is van een ongeluk, aanslag of ramp.

Waar vind je de woorden, wat zijn de goede woorden in zo’n situatie?

Herkenbaar, denk ik.

Dat je wel wat wilt zeggen of schrijven, maar je weet niet wat en je wilt zeker niet iets verkeerds zeggen, of dat het niet goed overkomt.

Misschien is het het beste om dat dan maar te zeggen of te schrijven:

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘er zijn geen woorden om jouw verdriet te beschrijven’.

 

In het verhaal van Job horen we verschillende reacties op de rampspoed die Job overkomt.

Allereerst van Job zelf, vorige week in hoofdstuk 1, na verlies van vee en knechten en zelfs zijn kinderen,

en nu weer, na nog meer ellende, verlies van Job z’n gezondheid.

We horen de reactie van Job z’n vrouw en van z’n drie vrienden die bij Job komen, die nu zwijgen maar dat zal de komende  hoofdstukken wel anders zijn.

Wat trouwens ook voor Job zelf geldt, ook Job z’n vroomheid verandert, in vragen, in stilte, en daarna  in klachten en verwijten naar God.

 

Allereerst horen we wat Job zelf te zeggen heeft.

In hoofdstuk 1 na het verlies van z’n vee, runderen, schapen en geiten, knechten én z’n 10 kinderen, horen we Job zeggen wat je soms nog in een overlijdensadvertentie kunt lezen:

‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.

Maar dat staat er niet in de tekst, de Hebreeuwse Bijbeltekst !

Er staat niet: ‘de Heer zij geprezen’, zoals onze vertaling het zegt.

Dat zou toch ook wel erg veel gevraagd zijn, dat je God zou moeten prijzen als allerlei ellende je overkomt.

Job zegt: ‘de naam van de Heer is gezegend’.

Dat staat er: ‘gezegend’.

Niet vervloekt, niet ontkracht, niet omlaag gehaald.

Maar ‘gezegend’.

Ondanks alles wat hem overkomt houdt Job Gods Naam hoog, houdt hij daaraan vast.

Hier klinkt ook de Godsnaam zelf, JHWH, Adonai zeggen de joden omdat zij uit eerbied de naam van God niet uitspreken, in onze vertaling wordt dat weergegeven met HEER.

Gezegend die naam van de HEER, die betekent en zegt: ‘Ik ben erbij’.

Job houdt vast aan die naam van God,

die naam die waar blijft wat er ook gebeurt in ons leven, en die zegt dat God ons daarin niet loslaat.

 

Het is, aan het eind van het eerste hoofdstuk, een voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, er zal nog heel wat gesprek en discussie volgen,

met Job z’n vrienden en ook met God zelf.

Het is een eerste, voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, op de vraag naar het lijden en wat God daarmee te maken heeft.

Misschien moet je zeggen: dat was het antwoord dat Job geleerd had, vanuit zijn geloofstraditie, een aangeleerd antwoord zoals dat paste in zijn tijd: hoe te geloven in tijden van ongeluk en tegenslag.

En dat kan misschien ook niet anders op zo’n moment van diep verdriet en verslagenheid.

Misschien is het zelfs wel goed dat je dan woorden, liederen, hebt die je van jongs af aan hebt geleerd en meegekregen.

Voor die momenten dat je zelf geen woorden hebt, als je door verdriet niet meer weet wat te zeggen.

 

Ik las in één van de boeken met uitleg van het Bijbelboek Job een waar gebeurd verhaal.

Over een gezin, vader, moeder, 3 kinderen, goed gelovig en kerkelijk.

Op een dag komt het middelste kind, een jongetje tijdens het spelen onder een auto en overlijdt.

Het verdriet van de ouders is groot, maar ze kunnen het verwerken.

‘De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen’, schrijven ze in de overlijdensadvertentie.

Zo ervaren ze het ook, vanuit hun geloof.

Een jaar gaat voorbij, met veel verdriet, maar ook in een zekere rust, berusting.

Maar na een jaar verandert dat.

Vooral de moeder komt in opstand, ze kan het niet verkroppen de vriendjes van haar zoon te zien opgroeien terwijl haar kind er niet meer is.

Het gezin gaat verhuizen.

Ook na de verhuizing blijft de moeder boos en opstandig,

haar man en andere mensen begrijpen haar niet, het geloof was ook haar toch altijd zo tot steun geweest?

Gaandeweg valt ze van haar geloof af, ze kan niet meer geloven in een liefdevolle en goede, machtige God die haar dit leed aandoet.

Natuurlijk meende zij wat ze in de overlijdensadvertentie hadden geschreven.

Zo was het geloof dat ze had meegekregen van huis uit.

Maar door haar ervaring, door haar verdriet is haar geloof veranderd, en zelfs verdwenen omdat ze geen ander beeld van God kon vinden en geloven.

 

Of Job het aan het eind van zijn verhaal nog steeds in God zal geloven, en aan die naam van God ‘Ik ben erbij’ zal vasthouden?

Of Job het dan nog steeds zó zal zeggen?

Misschien, maar dan is er inmiddels wel heel wat gesprek en discussie geweest, met de vrienden van Job én met God.

Ook Job is dan veranderd in zijn geloof in God.

 

Vandaag hebben we gehoord hoe Job nóg meer ramspoed overkomt, alsof het nog niet genoeg was.

Satan komt opnieuw bij God.

Satan, de duivelse stem die vooral willen vernielen en uit elkaar halen, de onruststoker,

de stem van het cynisme die twijfelt aan geloof en trouw en goedheid,

de stem die vooral gelooft in egoïsme en eigenbelang.

Opnieuw daagt hij God uit: ‘als Job z’n gezondheid, z’n leven op het spel komt te staan, dan zal hij u zeker vervloeken.’

En opnieuw krijgt Satan de ruimte nu om Job z’n gezondheid aan te tasten, vol zweren zien we Job zitten in stof en vuil.

 

Dan horen we voor het eerst over de vrouw van Job, ze blijft naamloos, en hierna zullen we in heel het boek Job niet weer van haar horen.

Twee verzen krijgt ze, niet meer, ze lijkt in heel het verhaal niet belangrijk, maar ze zet Job hier toch aan het denken.

Zij stelt de vraag die ook tussen God en Satan speelt:

‘Waarom nu nog vroom blijven, waarom na al die ellende die je overkomt toch nog vasthouden aan je geloof, trouw blijven aan God?

Ze confronteert Job met z’n dood: ‘Zeg God vaarwel en sterf’, maak een einde aan je lijden.

Of ze het goed bedoelt of niet, we zien dat haar woorden iets veranderen bij Job.

Job zegt nu niet meer heel stellig: ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer is gezegend’.

Zijn zekerheid is tot vraag geworden:

‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’.

Bij dat laatste, ‘het kwade aanvaarden’ noemt Job God niet.

En een vraag horen we nu.

Geen van jongs af aan geleerde geloofsuitdrukking meer,

Job spreekt nu vanuit zijn eigen ervaring en gevoel.

En de naam van de HEER, JHWH, Adonai, Ik ben erbij, klinkt hier ook niet meer.

Job noemt nu de veel algemenere godsnaam ‘Elohiem’ , in onze vertaling niet met HEER maar met God weergegeven, of godheid zou je ook kunnen zeggen.

Op dit moment, in het diepste van zijn lijden, kan Job God niet meer als de Nabije ‘Ik ben erbij’ herkennen zoals hem dat altijd is geleerd.

Die God is voor hem meer vreemd geworden, op afstand,

- wie groot verdriet en lijden kent zal dat misschien op momenten herkennen, dat God soms ver weg lijkt -, 

naar die God, Elohiem, zal vanaf hoofdstuk 3 Job z’n klacht klinken.

 

Aan het eind van het boek Job, vanaf hoofdstuk 40 zullen we horen hoe Job weer tot Adonai, HEER, ‘Ik ben erbij’, spreekt.

Als Job dóór zijn ervaring, door al zijn verdriet en pijn en klachten heen, opnieuw heeft ontdekt wie God daarin voor hem is.

 

Hier in hoofdstuk 2, is Job veel minder stellig en zeker over wie God voor hem is, hij neemt wat afstand, durft vragen te stellen.

Maar lezen we daarbij met nadruk: in dit alles zondigt Job niet en spreekt geen onvertogen, geen verkeerd woord.

Blijkbaar mag dat als het gaat over geloven.

Dat je je vragen mag stellen, als je het allemaal niet meer zo zeker weet over God en wat God met je leven, je lijden te maken heeft.

 

Hierna zwijgt Job, 7 dagen en nachten.

Na de geloofszekerheid, na de vragen, wordt hij stil,

wat is er nog te zeggen?,

Job heeft geen woorden meer om zijn verdriet en pijn uit te drukken.

En geen antwoorden meer.

 

En dan de vrienden van Job.

Wat hebben zij te zeggen tot hun vriend in de ellende die hem overkomen is?

Ze zullen de komende hoofdstukken nog heel veel zeggen,

ze komen om Job te troosten, maar het zal erop uitlopen dat ze Job eigenlijk beschuldigen met hun conclusie dat Job wel gezondigd zal hebben,

dat was de geloofsgedachte in die tijd: ieder mens wordt beloond naar de goedheid of slechtheid van de eigen daden.

Job zal het wel verdiend hebben, zijn eigen schuld dat hem al deze ellende is overkomen.

 

Maar dat zeggen ze nu nog niet.

Nu doen ze zoals echte vrienden, vriendinnen doen: ze zijn er.

Ze gaan naar Job toe.

Hoe vaak hoor je niet dat mensen het af laten weten al beloven ze langs te komen, te bellen.

In tijden van nood leer je je echte vrienden kennen, zegt men.

De vrienden van Job komen écht, om bij hem te zijn in zijn ellende, het daarin met hem uit te houden.

Als echte vrienden.
Ze nemen alle tijd daarvoor, zeven dagen en zeven nachten.

Zwijgen ze, met Job.

Geen troostwoorden, om Job op te beuren,

Geen woorden, die hoe goed bedoeld ook toch de plank mis slaan:

‘ik begrijp hoe erg het voor je moet zijn, kijk eens naar wat je allemaal nog wel hebt, het komt wel goed’, kop op’ en dat soort clichés.

Maar troostrijk zwijgen,

zo zitten de vrienden bij Job, ze zien hoe hij lijdt en begrijpen dat er geen woorden zijn die kunnen troosten.

Ze zwijgen, de vrienden, en wachten totdat Job er aan toe is om te spreken.

 

Het is al te menselijk om te proberen een antwoord, een verklaring te vinden als onheil, lijden jou of een ander treft.

Of dat antwoord er is? En of daarin dan troost te vinden is?

Job laat ons zien dat je in wat je overkomt je eigen weg mag, ja moet gaan,

met alle geloof, al het zoeken en je vragen en angsten daarbij.

Zelf zul je moeten ontdekken wie God voor jou is daarin.

Maar hopelijk niet alleen, hopelijk met mensen die het daarbij met je uit willen houden, ook in de stilte.

Mensen in wie we, hoe dan ook, God zelf mogen herkennen.

            Onzegbaar ons nabij,

zo menselijk in ons midden

dat God ons lied, onze vragen en zuchten wel zal verstaan.

Wat kun je zeggen als iemand een grote tegenslag, een groot verdriet is overkomen?

Verlies van een geliefde, partner, kind, uitslag van ernstige ziekte, als die ander zelf of één van de naasten slachtoffer is van een ongeluk, aanslag of ramp.

Waar vind je de woorden, wat zijn de goede woorden in zo’n situatie?

Herkenbaar, denk ik.

Dat je wel wat wilt zeggen of schrijven, maar je weet niet wat en je wilt zeker niet iets verkeerds zeggen, of dat het niet goed overkomt.

Misschien is het het beste om dat dan maar te zeggen of te schrijven:

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘er zijn geen woorden om jouw verdriet te beschrijven’.

 

In het verhaal van Job horen we verschillende reacties op de rampspoed die Job overkomt.

Allereerst van Job zelf, vorige week in hoofdstuk 1, na verlies van vee en knechten en zelfs zijn kinderen,

en nu weer, na nog meer ellende, verlies van Job z’n gezondheid.

We horen de reactie van Job z’n vrouw en van z’n drie vrienden die bij Job komen, die nu zwijgen maar dat zal de komende  hoofdstukken wel anders zijn.

Wat trouwens ook voor Job zelf geldt, ook Job z’n vroomheid verandert, in vragen, in stilte, en daarna  in klachten en verwijten naar God.

 

Allereerst horen we wat Job zelf te zeggen heeft.

In hoofdstuk 1 na het verlies van z’n vee, runderen, schapen en geiten, knechten én z’n 10 kinderen, horen we Job zeggen wat je soms nog in een overlijdensadvertentie kunt lezen:

‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.

Maar dat staat er niet in de tekst, de Hebreeuwse Bijbeltekst !

Er staat niet: ‘de Heer zij geprezen’, zoals onze vertaling het zegt.

Dat zou toch ook wel erg veel gevraagd zijn, dat je God zou moeten prijzen als allerlei ellende je overkomt.

Job zegt: ‘de naam van de Heer is gezegend’.

Dat staat er: ‘gezegend’.

Niet vervloekt, niet ontkracht, niet omlaag gehaald.

Maar ‘gezegend’.

Ondanks alles wat hem overkomt houdt Job Gods Naam hoog, houdt hij daaraan vast.

Hier klinkt ook de Godsnaam zelf, JHWH, Adonai zeggen de joden omdat zij uit eerbied de naam van God niet uitspreken, in onze vertaling wordt dat weergegeven met HEER.

Gezegend die naam van de HEER, die betekent en zegt: ‘Ik ben erbij’.

Job houdt vast aan die naam van God,

die naam die waar blijft wat er ook gebeurt in ons leven, en die zegt dat God ons daarin niet loslaat.

 

Het is, aan het eind van het eerste hoofdstuk, een voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, er zal nog heel wat gesprek en discussie volgen,

met Job z’n vrienden en ook met God zelf.

Het is een eerste, voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, op de vraag naar het lijden en wat God daarmee te maken heeft.

Misschien moet je zeggen: dat was het antwoord dat Job geleerd had, vanuit zijn geloofstraditie, een aangeleerd antwoord zoals dat paste in zijn tijd: hoe te geloven in tijden van ongeluk en tegenslag.

En dat kan misschien ook niet anders op zo’n moment van diep verdriet en verslagenheid.

Misschien is het zelfs wel goed dat je dan woorden, liederen, hebt die je van jongs af aan hebt geleerd en meegekregen.

Voor die momenten dat je zelf geen woorden hebt, als je door verdriet niet meer weet wat te zeggen.

 

Ik las in één van de boeken met uitleg van het Bijbelboek Job een waar gebeurd verhaal.

Over een gezin, vader, moeder, 3 kinderen, goed gelovig en kerkelijk.

Op een dag komt het middelste kind, een jongetje tijdens het spelen onder een auto en overlijdt.

Het verdriet van de ouders is groot, maar ze kunnen het verwerken.

‘De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen’, schrijven ze in de overlijdensadvertentie.

Zo ervaren ze het ook, vanuit hun geloof.

Een jaar gaat voorbij, met veel verdriet, maar ook in een zekere rust, berusting.

Maar na een jaar verandert dat.

Vooral de moeder komt in opstand, ze kan het niet verkroppen de vriendjes van haar zoon te zien opgroeien terwijl haar kind er niet meer is.

Het gezin gaat verhuizen.

Ook na de verhuizing blijft de moeder boos en opstandig,

haar man en andere mensen begrijpen haar niet, het geloof was ook haar toch altijd zo tot steun geweest?

Gaandeweg valt ze van haar geloof af, ze kan niet meer geloven in een liefdevolle en goede, machtige God die haar dit leed aandoet.

Natuurlijk meende zij wat ze in de overlijdensadvertentie hadden geschreven.

Zo was het geloof dat ze had meegekregen van huis uit.

Maar door haar ervaring, door haar verdriet is haar geloof veranderd, en zelfs verdwenen omdat ze geen ander beeld van God kon vinden en geloven.

 

Of Job het aan het eind van zijn verhaal nog steeds in God zal geloven, en aan die naam van God ‘Ik ben erbij’ zal vasthouden?

Of Job het dan nog steeds zó zal zeggen?

Misschien, maar dan is er inmiddels wel heel wat gesprek en discussie geweest, met de vrienden van Job én met God.

Ook Job is dan veranderd in zijn geloof in God.

 

Vandaag hebben we gehoord hoe Job nóg meer ramspoed overkomt, alsof het nog niet genoeg was.

Satan komt opnieuw bij God.

Satan, de duivelse stem die vooral willen vernielen en uit elkaar halen, de onruststoker,

de stem van het cynisme die twijfelt aan geloof en trouw en goedheid,

de stem die vooral gelooft in egoïsme en eigenbelang.

Opnieuw daagt hij God uit: ‘als Job z’n gezondheid, z’n leven op het spel komt te staan, dan zal hij u zeker vervloeken.’

En opnieuw krijgt Satan de ruimte nu om Job z’n gezondheid aan te tasten, vol zweren zien we Job zitten in stof en vuil.

 

Dan horen we voor het eerst over de vrouw van Job, ze blijft naamloos, en hierna zullen we in heel het boek Job niet weer van haar horen.

Twee verzen krijgt ze, niet meer, ze lijkt in heel het verhaal niet belangrijk, maar ze zet Job hier toch aan het denken.

Zij stelt de vraag die ook tussen God en Satan speelt:

‘Waarom nu nog vroom blijven, waarom na al die ellende die je overkomt toch nog vasthouden aan je geloof, trouw blijven aan God?

Ze confronteert Job met z’n dood: ‘Zeg God vaarwel en sterf’, maak een einde aan je lijden.

Of ze het goed bedoelt of niet, we zien dat haar woorden iets veranderen bij Job.

Job zegt nu niet meer heel stellig: ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer is gezegend’.

Zijn zekerheid is tot vraag geworden:

‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’.

Bij dat laatste, ‘het kwade aanvaarden’ noemt Job God niet.

En een vraag horen we nu.

Geen van jongs af aan geleerde geloofsuitdrukking meer,

Job spreekt nu vanuit zijn eigen ervaring en gevoel.

En de naam van de HEER, JHWH, Adonai, Ik ben erbij, klinkt hier ook niet meer.

Job noemt nu de veel algemenere godsnaam ‘Elohiem’ , in onze vertaling niet met HEER maar met God weergegeven, of godheid zou je ook kunnen zeggen.

Op dit moment, in het diepste van zijn lijden, kan Job God niet meer als de Nabije ‘Ik ben erbij’ herkennen zoals hem dat altijd is geleerd.

Die God is voor hem meer vreemd geworden, op afstand,

- wie groot verdriet en lijden kent zal dat misschien op momenten herkennen, dat God soms ver weg lijkt -, 

naar die God, Elohiem, zal vanaf hoofdstuk 3 Job z’n klacht klinken.

 

Aan het eind van het boek Job, vanaf hoofdstuk 40 zullen we horen hoe Job weer tot Adonai, HEER, ‘Ik ben erbij’, spreekt.

Als Job dóór zijn ervaring, door al zijn verdriet en pijn en klachten heen, opnieuw heeft ontdekt wie God daarin voor hem is.

 

Hier in hoofdstuk 2, is Job veel minder stellig en zeker over wie God voor hem is, hij neemt wat afstand, durft vragen te stellen.

Maar lezen we daarbij met nadruk: in dit alles zondigt Job niet en spreekt geen onvertogen, geen verkeerd woord.

Blijkbaar mag dat als het gaat over geloven.

Dat je je vragen mag stellen, als je het allemaal niet meer zo zeker weet over God en wat God met je leven, je lijden te maken heeft.

 

Hierna zwijgt Job, 7 dagen en nachten.

Na de geloofszekerheid, na de vragen, wordt hij stil,

wat is er nog te zeggen?,

Job heeft geen woorden meer om zijn verdriet en pijn uit te drukken.

En geen antwoorden meer.

 

En dan de vrienden van Job.

Wat hebben zij te zeggen tot hun vriend in de ellende die hem overkomen is?

Ze zullen de komende hoofdstukken nog heel veel zeggen,

ze komen om Job te troosten, maar het zal erop uitlopen dat ze Job eigenlijk beschuldigen met hun conclusie dat Job wel gezondigd zal hebben,

dat was de geloofsgedachte in die tijd: ieder mens wordt beloond naar de goedheid of slechtheid van de eigen daden.

Job zal het wel verdiend hebben, zijn eigen schuld dat hem al deze ellende is overkomen.

 

Maar dat zeggen ze nu nog niet.

Nu doen ze zoals echte vrienden, vriendinnen doen: ze zijn er.

Ze gaan naar Job toe.

Hoe vaak hoor je niet dat mensen het af laten weten al beloven ze langs te komen, te bellen.

In tijden van nood leer je je echte vrienden kennen, zegt men.

De vrienden van Job komen écht, om bij hem te zijn in zijn ellende, het daarin met hem uit te houden.

Als echte vrienden.
Ze nemen alle tijd daarvoor, zeven dagen en zeven nachten.

Zwijgen ze, met Job.

Geen troostwoorden, om Job op te beuren,

Geen woorden, die hoe goed bedoeld ook toch de plank mis slaan:

‘ik begrijp hoe erg het voor je moet zijn, kijk eens naar wat je allemaal nog wel hebt, het komt wel goed’, kop op’ en dat soort clichés.

Maar troostrijk zwijgen,

zo zitten de vrienden bij Job, ze zien hoe hij lijdt en begrijpen dat er geen woorden zijn die kunnen troosten.

Ze zwijgen, de vrienden, en wachten totdat Job er aan toe is om te spreken.

 

Het is al te menselijk om te proberen een antwoord, een verklaring te vinden als onheil, lijden jou of een ander treft.

Of dat antwoord er is? En of daarin dan troost te vinden is?

Job laat ons zien dat je in wat je overkomt je eigen weg mag, ja moet gaan,

met alle geloof, al het zoeken en je vragen en angsten daarbij.

Zelf zul je moeten ontdekken wie God voor jou is daarin.

Maar hopelijk niet alleen, hopelijk met mensen die het daarbij met je uit willen houden, ook in de stilte.

Mensen in wie we, hoe dan ook, God zelf mogen herkennen.

            Onzegbaar ons nabij,

zo menselijk in ons midden

dat God ons lied, onze vragen en zuchten wel zal verstaan.

Wat kun je zeggen als iemand een grote tegenslag, een groot verdriet is overkomen?

Verlies van een geliefde, partner, kind, uitslag van ernstige ziekte, als die ander zelf of één van de naasten slachtoffer is van een ongeluk, aanslag of ramp.

Waar vind je de woorden, wat zijn de goede woorden in zo’n situatie?

Herkenbaar, denk ik.

Dat je wel wat wilt zeggen of schrijven, maar je weet niet wat en je wilt zeker niet iets verkeerds zeggen, of dat het niet goed overkomt.

Misschien is het het beste om dat dan maar te zeggen of te schrijven:

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘er zijn geen woorden om jouw verdriet te beschrijven’.

 

In het verhaal van Job horen we verschillende reacties op de rampspoed die Job overkomt.

Allereerst van Job zelf, vorige week in hoofdstuk 1, na verlies van vee en knechten en zelfs zijn kinderen,

en nu weer, na nog meer ellende, verlies van Job z’n gezondheid.

We horen de reactie van Job z’n vrouw en van z’n drie vrienden die bij Job komen, die nu zwijgen maar dat zal de komende  hoofdstukken wel anders zijn.

Wat trouwens ook voor Job zelf geldt, ook Job z’n vroomheid verandert, in vragen, in stilte, en daarna  in klachten en verwijten naar God.

 

Allereerst horen we wat Job zelf te zeggen heeft.

In hoofdstuk 1 na het verlies van z’n vee, runderen, schapen en geiten, knechten én z’n 10 kinderen, horen we Job zeggen wat je soms nog in een overlijdensadvertentie kunt lezen:

‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’.

Maar dat staat er niet in de tekst, de Hebreeuwse Bijbeltekst !

Er staat niet: ‘de Heer zij geprezen’, zoals onze vertaling het zegt.

Dat zou toch ook wel erg veel gevraagd zijn, dat je God zou moeten prijzen als allerlei ellende je overkomt.

Job zegt: ‘de naam van de Heer is gezegend’.

Dat staat er: ‘gezegend’.

Niet vervloekt, niet ontkracht, niet omlaag gehaald.

Maar ‘gezegend’.

Ondanks alles wat hem overkomt houdt Job Gods Naam hoog, houdt hij daaraan vast.

Hier klinkt ook de Godsnaam zelf, JHWH, Adonai zeggen de joden omdat zij uit eerbied de naam van God niet uitspreken, in onze vertaling wordt dat weergegeven met HEER.

Gezegend die naam van de HEER, die betekent en zegt: ‘Ik ben erbij’.

Job houdt vast aan die naam van God,

die naam die waar blijft wat er ook gebeurt in ons leven, en die zegt dat God ons daarin niet loslaat.

 

Het is, aan het eind van het eerste hoofdstuk, een voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, er zal nog heel wat gesprek en discussie volgen,

met Job z’n vrienden en ook met God zelf.

Het is een eerste, voorlopig antwoord van Job op wat hem overkomt, op de vraag naar het lijden en wat God daarmee te maken heeft.

Misschien moet je zeggen: dat was het antwoord dat Job geleerd had, vanuit zijn geloofstraditie, een aangeleerd antwoord zoals dat paste in zijn tijd: hoe te geloven in tijden van ongeluk en tegenslag.

En dat kan misschien ook niet anders op zo’n moment van diep verdriet en verslagenheid.

Misschien is het zelfs wel goed dat je dan woorden, liederen, hebt die je van jongs af aan hebt geleerd en meegekregen.

Voor die momenten dat je zelf geen woorden hebt, als je door verdriet niet meer weet wat te zeggen.

 

Ik las in één van de boeken met uitleg van het Bijbelboek Job een waar gebeurd verhaal.

Over een gezin, vader, moeder, 3 kinderen, goed gelovig en kerkelijk.

Op een dag komt het middelste kind, een jongetje tijdens het spelen onder een auto en overlijdt.

Het verdriet van de ouders is groot, maar ze kunnen het verwerken.

‘De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen’, schrijven ze in de overlijdensadvertentie.

Zo ervaren ze het ook, vanuit hun geloof.

Een jaar gaat voorbij, met veel verdriet, maar ook in een zekere rust, berusting.

Maar na een jaar verandert dat.

Vooral de moeder komt in opstand, ze kan het niet verkroppen de vriendjes van haar zoon te zien opgroeien terwijl haar kind er niet meer is.

Het gezin gaat verhuizen.

Ook na de verhuizing blijft de moeder boos en opstandig,

haar man en andere mensen begrijpen haar niet, het geloof was ook haar toch altijd zo tot steun geweest?

Gaandeweg valt ze van haar geloof af, ze kan niet meer geloven in een liefdevolle en goede, machtige God die haar dit leed aandoet.

Natuurlijk meende zij wat ze in de overlijdensadvertentie hadden geschreven.

Zo was het geloof dat ze had meegekregen van huis uit.

Maar door haar ervaring, door haar verdriet is haar geloof veranderd, en zelfs verdwenen omdat ze geen ander beeld van God kon vinden en geloven.

 

Of Job het aan het eind van zijn verhaal nog steeds in God zal geloven, en aan die naam van God ‘Ik ben erbij’ zal vasthouden?

Of Job het dan nog steeds zó zal zeggen?

Misschien, maar dan is er inmiddels wel heel wat gesprek en discussie geweest, met de vrienden van Job én met God.

Ook Job is dan veranderd in zijn geloof in God.

 

Vandaag hebben we gehoord hoe Job nóg meer ramspoed overkomt, alsof het nog niet genoeg was.

Satan komt opnieuw bij God.

Satan, de duivelse stem die vooral willen vernielen en uit elkaar halen, de onruststoker,

de stem van het cynisme die twijfelt aan geloof en trouw en goedheid,

de stem die vooral gelooft in egoïsme en eigenbelang.

Opnieuw daagt hij God uit: ‘als Job z’n gezondheid, z’n leven op het spel komt te staan, dan zal hij u zeker vervloeken.’

En opnieuw krijgt Satan de ruimte nu om Job z’n gezondheid aan te tasten, vol zweren zien we Job zitten in stof en vuil.

 

Dan horen we voor het eerst over de vrouw van Job, ze blijft naamloos, en hierna zullen we in heel het boek Job niet weer van haar horen.

Twee verzen krijgt ze, niet meer, ze lijkt in heel het verhaal niet belangrijk, maar ze zet Job hier toch aan het denken.

Zij stelt de vraag die ook tussen God en Satan speelt:

‘Waarom nu nog vroom blijven, waarom na al die ellende die je overkomt toch nog vasthouden aan je geloof, trouw blijven aan God?

Ze confronteert Job met z’n dood: ‘Zeg God vaarwel en sterf’, maak een einde aan je lijden.

Of ze het goed bedoelt of niet, we zien dat haar woorden iets veranderen bij Job.

Job zegt nu niet meer heel stellig: ‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer is gezegend’.

Zijn zekerheid is tot vraag geworden:

‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’.

Bij dat laatste, ‘het kwade aanvaarden’ noemt Job God niet.

En een vraag horen we nu.

Geen van jongs af aan geleerde geloofsuitdrukking meer,

Job spreekt nu vanuit zijn eigen ervaring en gevoel.

En de naam van de HEER, JHWH, Adonai, Ik ben erbij, klinkt hier ook niet meer.

Job noemt nu de veel algemenere godsnaam ‘Elohiem’ , in onze vertaling niet met HEER maar met God weergegeven, of godheid zou je ook kunnen zeggen.

Op dit moment, in het diepste van zijn lijden, kan Job God niet meer als de Nabije ‘Ik ben erbij’ herkennen zoals hem dat altijd is geleerd.

Die God is voor hem meer vreemd geworden, op afstand,

- wie groot verdriet en lijden kent zal dat misschien op momenten herkennen, dat God soms ver weg lijkt -, 

naar die God, Elohiem, zal vanaf hoofdstuk 3 Job z’n klacht klinken.

 

Aan het eind van het boek Job, vanaf hoofdstuk 40 zullen we horen hoe Job weer tot Adonai, HEER, ‘Ik ben erbij’, spreekt.

Als Job dóór zijn ervaring, door al zijn verdriet en pijn en klachten heen, opnieuw heeft ontdekt wie God daarin voor hem is.

 

Hier in hoofdstuk 2, is Job veel minder stellig en zeker over wie God voor hem is, hij neemt wat afstand, durft vragen te stellen.

Maar lezen we daarbij met nadruk: in dit alles zondigt Job niet en spreekt geen onvertogen, geen verkeerd woord.

Blijkbaar mag dat als het gaat over geloven.

Dat je je vragen mag stellen, als je het allemaal niet meer zo zeker weet over God en wat God met je leven, je lijden te maken heeft.

 

Hierna zwijgt Job, 7 dagen en nachten.

Na de geloofszekerheid, na de vragen, wordt hij stil,

wat is er nog te zeggen?,

Job heeft geen woorden meer om zijn verdriet en pijn uit te drukken.

En geen antwoorden meer.

 

En dan de vrienden van Job.

Wat hebben zij te zeggen tot hun vriend in de ellende die hem overkomen is?

Ze zullen de komende hoofdstukken nog heel veel zeggen,

ze komen om Job te troosten, maar het zal erop uitlopen dat ze Job eigenlijk beschuldigen met hun conclusie dat Job wel gezondigd zal hebben,

dat was de geloofsgedachte in die tijd: ieder mens wordt beloond naar de goedheid of slechtheid van de eigen daden.

Job zal het wel verdiend hebben, zijn eigen schuld dat hem al deze ellende is overkomen.

 

Maar dat zeggen ze nu nog niet.

Nu doen ze zoals echte vrienden, vriendinnen doen: ze zijn er.

Ze gaan naar Job toe.

Hoe vaak hoor je niet dat mensen het af laten weten al beloven ze langs te komen, te bellen.

In tijden van nood leer je je echte vrienden kennen, zegt men.

De vrienden van Job komen écht, om bij hem te zijn in zijn ellende, het daarin met hem uit te houden.

Als echte vrienden.
Ze nemen alle tijd daarvoor, zeven dagen en zeven nachten.

Zwijgen ze, met Job.

Geen troostwoorden, om Job op te beuren,

Geen woorden, die hoe goed bedoeld ook toch de plank mis slaan:

‘ik begrijp hoe erg het voor je moet zijn, kijk eens naar wat je allemaal nog wel hebt, het komt wel goed’, kop op’ en dat soort clichés.

Maar troostrijk zwijgen,

zo zitten de vrienden bij Job, ze zien hoe hij lijdt en begrijpen dat er geen woorden zijn die kunnen troosten.

Ze zwijgen, de vrienden, en wachten totdat Job er aan toe is om te spreken.

 

Het is al te menselijk om te proberen een antwoord, een verklaring te vinden als onheil, lijden jou of een ander treft.

Of dat antwoord er is? En of daarin dan troost te vinden is?

Job laat ons zien dat je in wat je overkomt je eigen weg mag, ja moet gaan,

met alle geloof, al het zoeken en je vragen en angsten daarbij.

Zelf zul je moeten ontdekken wie God voor jou is daarin.

Maar hopelijk niet alleen, hopelijk met mensen die het daarbij met je uit willen houden, ook in de stilte.

Mensen in wie we, hoe dan ook, God zelf mogen herkennen.

            Onzegbaar ons nabij,

zo menselijk in ons midden

dat God ons lied, onze vragen en zuchten wel zal verstaan.

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 28 Oktober om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: Ds.G.van Herk
Ouderling van dienst: Carla Izeren