Zondag 23 juli 2017

Lezing Oude Testament Psalm 86, gelezen en gezongen

 

Evangelielezing Lucas 5: 17 – 26,



Ook dit jaar is de zomer weer een volle sportzomer.

Deze week de Tour de France en natuurlijk het EK vrouwenvoetbal.

Sport is vaak een treffende afspiegeling van het gewone leven.

Je hebt, net als in het Bijbelverhaal, de mensen die altijd vooraan staan en op de eerste rij zitten, de Bobo’s, belangrijke personen,

en je hebt het gewone volk dat maar ergens een plaatsje moet zien te vinden, langs de zijlijn of achteraan.

Bij de sporters zijn er de winnaars, de succesvollen, vaak ook grootverdieners met torenhoge salarissen.

Er zijn verliezers, door pech of tegenslag, valpartijen of blessures, of omdat het talent of de kracht ontbreekt.

En er zijn de vele knechten, helpers, soms buiten beeld en naamloos, soms zie je ze wel in beeld, zwoegend, voorop in het wielerpeloton om de kopman uit de wind te houden,

of letterlijk als waterdragers bidonnen ophalen en uitdelen aan de teamgenoten.

 

Hoe goed of talentvol de ster van het team ook is, hij of zij kan niet zonder al die helpers, dienstbare teamgenoten en verzorgers.

Een spits in het voetbalteam zal veel minder scoren als hij of zij geen goede ballen aangespeeld krijgt en verliest als de verdedigers niet de boel achterin dicht houden.

Froome of welke wielrenner ook zal de Tour de France niet winnen zonder zijn teamgenoten en het hele verzorgingsteam eromheen.

En zo is het ook in het gewone leven, de maatschappij,

geen topman of vrouw, met vaak hoge salarissen, zou op die positie kunnen zitten zonder de vele werkers op de werkvloer.

En zo heeft ieder mens helpers nodig.

Het scheppingsverhaal zegt het al:

‘God dacht: het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past’.

Iedereen heeft mensen om zich heen nodig, om te steunen en te helpen als je het alleen niet redt.

Iemand die ook vertrouwen houdt, ook als je dat zelf misschien kwijt bent, als je de hoop op verbetering hebt opgegeven.

En soms kun je dat zelf zijn voor een ander die dat nodig heeft.

Iemand die wil en kan zorgen, helpen, steunen, moed inspreken.

Daar kan niemand zonder.

Dat geldt voor topsporters maar zeker ook voor ieder mens in het gewone dagelijks leven.

 

Het evangelieverhaal van vanmorgen is daar zeker een voorbeeld van .

Een verlamde man wordt op een draagbed door enkele mannen naar het huis gedragen waar Jezus is.

De mannen wordt meestal al gauw vrienden genoemd, al staat dat helemaal niet in de Bijbeltekst.

Er staat alleen ‘een paar mannen’.

Maar als je zoiets doet voor iemand dan spreek je toch wel van vrienden.

Niets is hen teveel.

Eerst sjouwen ze het draagbed met daarop de verlamde man naar het huis waar Jezus is.

Dan, als de ingang van het huis versperd is, dragen ze de man de trap op, die in die tijd meestal aan de buitenkant van het huis gemetseld was om op het platte dak te komen.

En dan breken ze zelfs het dak open.

Wat een doorzettingsvermogen, de vrienden doen wat ze kunnen.

Zoals gelukkig heel veel mensen dat doen voor een ander:

partners, vrienden, vriendinnen, hulpverleners, mantelzorgers die iedere dag weer : zorgen, helpen, meeleven, steunen.

Maar het evangelieverhaal laat ook zien dat dat niet altijd gemakkelijk is.

Dat je soms zelfs wordt tegengewerkt, mensen die in je weg staan, wachtrijen, wachtlijsten waren er toen blijkbaar ook al.

Het lukt de mannen niet om bij Jezus te komen.

Dat er soms heel wat doorzettingsvermogen, vindingrijkheid, geduld en moed en ook vertrouwen voor nodig is, om vol te houden, om door te zetten.

 

Totdat er een moment komt dat je moet loslaten, of je wilt of niet, de geliefde, je vriend of vriendin, degene die aan jouw zorg is toevertrouwd moeten loslaten.

Omdat je je grens bereikt hebt, je alles gedaan hebt wat je kunt, maar niet nog meer voor hem of haar kunt doen, hoe graag je ook zou willen.

Er kan een moment komen dat je moet loslaten, dat je de zorg moet overgeven.

De mannen laten het bed door de opening van het dak zakken.

Ze laten de man zakken, in het vertrouwen dat er iemand is die voor hun vriend zal zorgen.

Dat Jezus zo iemand is.

Zo laten ze hem zakken voor de voeten van Jezus, geven hem over aan de zorg van Jezus.


Wat een vertrouwen hebben de mannen, zo blijkt uit hun inzet voor hun vriend.

Ze hebben blijkbaar het vertrouwen dat Jezus iets voor hun vriend zal kunnen doen.

Net als al die mensen die naar Jezus toe zijn gekomen hebben ze waarschijnlijke gehoord dat Jezus mensen heeft genezen, zoals vlak hiervoor verteld wordt over de melaatse man.

En blijkbaar hebben ze de hoop en het vertrouwen dat Jezus ook hun vriend kan genezen.

En die hoop, en dat vertrouwen, erkent en beantwoordt Jezus.

En hij noemt het zelfs ‘geloof’.

‘Toen hij hun geloof zag, zei hij tegen hem, de man: ‘uw zonden zijn u vergeven’.

 

Het is eigenlijk niet eens duidelijk of de verlamde man er zelf ook zoveel vertrouwen in had.

En blijkbaar is dat ook niet zo belangrijk.

Blijkbaar mag jouw geloof ook meetellen voor een ander die het zelf misschien heeft opgegeven.

Dat mag ons een stuk ontspanning geven,

als ouders als je ziet dat je kinderen het geloof niet overnemen,

ook als kerk als we zien hoe moeilijk het is om het geloof over te dragen aan de wereld om ons heen.

Maar blijkbaar kan het ook al heel veel zijn als wij zelf het geloof vasthouden en dat zichtbaar maken en laten zien door onze inzet voor anderen.

Kan dat al tot zegen zijn voor de wereld en de mensen om ons heen.



‘Hun geloof’ ziet Jezus, dat zou alleen het geloof van de vrienden kunnen zijn.

Maar het is genoeg, genoeg voor Jezus.

Het geloof van de vrienden heeft de verlamde man gedragen, letterlijk en figuurlijk.

Zo kunnen wij persoonlijk en als kerk het geloof een dragende kracht laten zijn, voor mensen, in de wereld, tot zegen voor anderen.

 

Waarbij het geloof van de vrienden laat zien dat geloven dan niet in de eerste plaats het uitdragen van een de geloofsleer is of een belijdenis van wie God of Jezus is.

Wat de mannen laten zien is hun inzet voor de verlamde man, en daarmee hun geloof dat het anders kan worden voor de man, dat het beter kan worden,

vanuit vertrouwen dat Jezus hem kan helpen.

Het Bijbelse woord voor geloof is eigenlijk ook vooral ‘vertrouwen’, en dat laten de mannen hier zien.

Vertrouwen dat ze hun vriend bij Jezus mogen brengen.

Vertrouwen dat Jezus zich over hem zal ontfermen.

Dat geloofsvertrouwen hebben de mannen.

Geloven is daarbij dus ook vooral heel praktisch, doen, je inzetten voor een ander, die jouw hulp nodig heeft.

Geloven is soms, en misschien wel vooral, geloven dat het anders en beter kan en je daarvoor inzetten.

Blijven vertrouwen en ploeteren en doorzetten om het goede te doen, je inzetten voor een ander.

Zichtbaar geloof – en daar kan Jezus iets mee en dat doet hij dan ook.

 

Maar daarin is dit gebeuren dan meteen ook één van de vele confrontaties die Jezus heeft met de religieuze leiders.

Tussen Jezus en de schriftgeleerden,

tussen Jezus z’n genezende en helende, levenbrengende woorden en handelingen en de regels en wetten van de religieuze leiders.

In het volgende hoofdstuk ontstaat de discussie of de leerlingen aren mogen plukken op sabbat als ze honger hebben en of Jezus mag genezen op sabbat.

En hier stellen de schriftgeleerden en Farizeeën de vraag wie Jezus wel niet denkt dat hij is dat hij zonden kan vergeven.

Alsof hij God zelf is.

Zonden vergeven dat kan toch alleen God?



Meer nog dan de man op zijn bed zijn de schriftgeleerden verlamd door de regels en denkkaders van hun geloof, die ze zichzelf opleggen.

Steeds weer is dat de botsing tussen Jezus en de schriftgeleerden.

Klopt wat Jezus doet wel met de theologie, de leer en de religieuze voorschriften zoals zij dat geleerd hebben?

En daardoor zien ze niet het goede dat Jezus aan de man doet, het heil dat Jezus hem toezegt, de bevrijding die de verlamde man mag ontvangen.

 

Het is een hardnekkigheid die nog steeds in de samenleving en ook in de kerk heerst.

Regels, voorschriften, theorieën en dogma’s die bijna een eigen leven gaan leiden en alles bepalend worden.

Hulp- en zorgverleners lopen steeds weer tegen regels aan die hen verhinderen de zorg te geven die volgens hen het beste is.

En ook in de kerk moeten we er soms voor oppassen dat regels niet belangrijker worden dan wat mensen nodig hebben, wat hen goed doet.

Regels, geboden en verboden, wat wel en niet zou mogen, hebben heel wat mensen de kerk en geloof doen verlaten.

En nog steeds worden mensen beschadigd en teleurgesteld omdat ze niet voldoen aan de regels van de kerk.

 

Jezus laat zien dat er meer is dan de letter van de wet, meer dan de regels.

Dat liefde en mededogen het laatste woord hebben.

Dat natuurlijk de zonden worden vergeven.

Moet deze verlamde man behalve de last van zijn ziekte ook nog de last dragen dat de oorzaak daarvan zou zijn zonde die hij gedaan heeft?, zoals men in die tijd dacht?

Jezus laat zien dat God geen straffende God is maar genadig.

En om dat schema van zonde en ziekte voorgoed te doorbreken, geneest Jezus de man ook van zijn verlamming.

 

Jezus laat zien dat in hem de hemel zichtbaar wordt, zoals door het dak dat de vrienden van de man hebben opengebroken.

En dat daarin God zelf zichtbaar wordt.

Dat hij is gekomen om heelheid te brengen, heelheid voor ziel en lichaam.

Om mensen het leven te geven, nieuw begin, opstanding, om mensen weer mens te laten zijn.

Dat is de belangrijkste geloofsregel waaruit wij in vertrouwen mogen leven.

U bevindt zich hier: Home De Dominee Preken Zondag 23 juli 2017