Agenda komende week

Dinsdag 23 Mei 20:00-21:30
Cantorij - De Toevlucht


Dinsdag 23 Mei 20:00-22:00
werkgroep Vorming en Toerusting - De Toevlucht


Woensdag 24 Mei 20:00-22:00
wijkkerkenraad - De Toevlucht


Donderdag 25 Mei 20:00-22:00
meditatiewandeling - De Toevlucht


Maandag 29 Mei 20:00-22:00
leeskring Erfenis zonder testament - thuisadres

Zondag 2 april 2017

Evangelielezing: Johannes 8: 30 – 42,

Evangelielezing: Johannes 8: 43 – 59,




Voordat we aan de boodschap van de lange, moeilijke Johanneslezing van vanmorgen toekomen, moet er eerst wat over de context van dit verhaal gezegd worden.

Een toelichting om misverstanden te voorkomen.

 

Het lijkt erop dat we in het verhaal uit Johannes 8 in een ordinaire ruzie terecht zijn gekomen.

De verwijten vliegen over en weer.

Er wordt zelfs gescholden:  ‘Jullie zijn van de duivel’, zegt Jezus.

‘Jij bent een Samaritaan’ schelden de joden Jezus uit, een lelijk scheldwoord in die tijd, en : ‘jij bent bezeten’.

Jij-bakken, noemen we dat tegenwoordig.

Zo gaan Jezus en de Joden tegen elkaar tekeer.

Er wordt niet goed geluisterd en de ander wordt gepakt op z’n letterlijke woorden:

‘Je bent nog niet eens 50 jaar oud en jij zegt dat je Abraham gezien hebt?’

En zo gaat het, ook vóór het gedeelte dat wij gelezen hebben, al een aantal verzen lang.

Op een scherpe toon die we toch niet van Jezus verwachten.

Maar een toon die blijkbaar iets aangeeft van de grote en scherpe tegenstellingen in die tijd en de tijd van de eerste christengemeente.

 

Er heeft vast een soortgelijk gesprek plaatsgevonden tussen Jezus en de Joden, de leiders van het volk.

En Johannes heeft dat gesprek opgenomen in zijn evangelie, dat hij tientallen jaren ná het leven van Jezus, schrijft voor de eerste christengemeente.

Waarschijnlijk klinken in de weergave van deze discussie tussen Jezus en de Joden ook de discussies en de twistgesprekken door zoals die in de tijd van de eerste christelijke gemeente gevoerd werden.

Alle vier evangeliën zijn tientallen jaren ná het leven en sterven van Jezus opgeschreven,

en het is een algemene theologische opvatting dat ervaringen, geloofsvragen en geloofsdiscussies vanuit die jonge christelijke gemeente van 60 of meer jaren na Jezus,

doorklinken in de evangelieverhalen.

 

In de tijd van die eerste, jonge christelijke gemeente waren er discussies tussen christenen en de joden, tussen kerk en synagoge, en ook binnen de christelijke gemeente tussen de christenen van joodse afkomst en die van andere afkomst, niet-joods.

Discussies over de vraag of het belangrijk was of je afstammeling van Abraham was, Abraham immers de aartsvader, het begin van het volk van God.

Die, blijkbaar soms hele felle, discussies lijken hier door te klinken in het twistgesprek tussen Jezus en de Joden.

 

Die hele specifieke context kan ons er in ieder geval voor waarschuwen die felle toon niet over te nemen.

We mogen dit gedeelte ook niet gebruiken om te laten zien dat Jezus de Joden veroordeelt.

Zo is deze tekst in de kerkgeschiedenis wel gebruikt.

En daarvan zijn in de geschiedenis van Europa de vreselijke gevolgen zichtbaar geworden in de vervolging en vernietiging van de joden.

En laten we ook niet vergeten dat Jezus ook een joodse man was, dat vergeten we weleens, maar Jezus is volop deel van het joodse volk, ook nakomeling van Abraham.

 

Tot zover over de context van ons verhaal van vanmorgen.

 

Als je van iemand zegt: ‘jij bent echt een kind van je vader’, - of ‘jij bent echt een kind van je moeder’, dan bedoel je niet in de eerste plaats te zeggen dat je gelooft dat die ouder echt zijn of haar vader of moeder is,

dat je echt van hem of haar afstamt, hun nakomeling bent, biologisch gezien.

Dan bedoel je veel meer te zeggen dat die ander lijkt op zijn of haar vader of moeder, uiterlijk lijkt of in doen en laten, gebaren, karaktereigenschappen.

 

Daar gaat het ook om in de discussie tussen Jezus en de Joden.

Een groot deel van het gesprek tussen Jezus en de Joden gaat over : afstammeling en kind van Abraham zijn.

De Joden beroepen zich op hun afstamming:

‘Wij zijn nakomelingen van Abraham, wij zijn nog nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt u dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’.

Als nakomelingen van Abraham dan hoor je er al bij, bij Gods volk, dan ben je al vrij.

Waarom moeten zij dan nog Jezus z’n leerlingen worden om de waarheid te leren kennen die hen zal bevrijden?

 

Jezus bestrijdt dat natuurlijk niet, dat de joden nakomelingen van Abraham zijn.

Dat zegt hij ook: ‘Ik weet dat u nakomelingen van Abraham bent’.

Maar toch zegt Jezus: ‘: ‘Als u echt kinderen van Abraham bent, zou u moeten doen wat Abraham deed’.

Een nakomeling is blijkbaar niet hetzelfde als een kind van.

Nakomeling is biologisch, je staat in de rij van het geslacht ….. vul maar in.

Maar ‘kind zijn van’ lijkt in Jezus z’n woorden iets anders te zijn.

In ieder geval wordt er in de tekst een ander Grieks woord gebruikt.

Jezus maakt onderscheid, tussen ‘nakomeling zijn’ en ‘kind zijn van, écht een kind zijn van’.

De joden mogen dan nakomelingen van Abraham zijn, maar, zegt Jezus, ze lijken niet op Abraham, ze doen niet wat Abraham doet.

Immers ze willen Jezus, die de waarheid spreekt die hij van God heeft gehoord, doden, zoiets heeft Abraham niet gedaan.

Meerdere keren staat in deze hoofdstukken van Johannes dat de joden plannen maken en proberen Jezus te doden.

De joden doen, zegt Jezus, wat hun vader doet en wil, de duivel.

Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest, in hem is geen waarheid.

Die ‘vader’ volgen de joden.

Dus, zegt Jezus, doen ze niet wat God wil, als God uw vader was, zou u mij liefhebben, zegt Jezus, want ik ben bij God vandaan gekomen.

 

Ze mogen zich dan nakomelingen van Abraham noemen, de joden waarmee Jezus in discussie is, maar ze lijken niet op Abraham.

Ze doen niet wat Abraham deed.

Immers Abraham hoorde en luisterde naar de stem van God, en ging op weg.

Liet alles achter zich, z’n familie, z’n afstamming, al zijn zekerheden.

Abraham ging op weg, naar een voor hem onbekend land en onbekend toekomst, in vertrouwen op God, op Gods belofte dat God hem toekomst zou schenken.

Abraham liet alles los, vertrouwde zich toe aan God,

geroepen, aangetrokken tot de toekomst, ging op weg, naar Gods toekomst.

 

Terwijl de Joden tegenover Jezus zich juist vastklampen aan hun afkomst, hun zekerheid en houvast zoeken in het feit dat ze nakomelingen van Abraham zijn.

Ze zeggen bijna letterlijk dat ze daar genoeg aan hebben.

‘Hoe kunt u zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’, dat vinden ze helemaal niet nodig.

Waar ze zijn, wie ze zijn, dat is hun genoeg,

ze weten wat ze hebben en dat willen ze houden, daarbij willen ze het houden,

in plaats van bevrijd te worden, in vrijheid gezet te worden.

 

En zeker niet door Jezus.

‘Wie denkt u wel dat u bent?’ vragen ze Jezus.

‘Bent u soms meer dan Abraham, die gestorven is, of de profeten.’

Dan gaat het inmiddels over de uitspraak van Jezus dat wie zijn woord bewaart, de dood nooit zal proeven.

Vandaar het thema van het kindernevendienstproject voor vandaag: ‘Sterker dan de dood’.

We voelen wel dat het in Jezus z’n woorden en dus ook in dit thema niet gaat over letterlijk ‘niet sterven’.

Ieder mens gaat een keer dood.

Jezus doelt hier op wat hij eerder ook zegt: ‘Wie luistert naar wat ik zeg, heeft eeuwig leven’.

‘Eeuwig leven’, daarbij denken wij al gauw aan eindeloos lang leven, maar in de Bijbel is eeuwig leven vooral een kwalitatief begrip.

Eeuwig leven is leven met God, leven in liefde, leven zoals Jezus ons dat leert, dan heeft je leven eeuwigheidskwaliteit, eeuwigheidswaarde.

Eeuwig leven is leven met de Eeuwige, met God.

 

De joden vatten Jezus z’n woorden letterlijk op: alsof Jezus zegt dat iemand niet zal sterven.

Terwijl, zeggen zij, ook Abraham is gestorven, en de profeten.

Is Jezus soms meer dan zij, wie denkt hij wel dat hij is?

En met die vraag raken de joden precies aan de kern waar het hier om gaat: Wie is Jezus?

Met daarop dat vreemde antwoord van Jezus: ‘Voordat Abraham er was, ben ik er’.

Niet ‘was ik er’, maar ‘ben ik er’.

‘Ik ben’.

Daarin horen de joden direct de Godsnaam waarmee God zich bekend maakt aan Mozes bij

de brandende braamstruik: ‘Ik ben die ik ben’.

‘Ik ben’, met die woorden stelt Jezus zich gelijk aan God en dat is voor de joden godslastering.

En daarop stond steniging als straf, de joden rapen dan ook stenen op om naar Jezus te gooien.

 

‘Voordat Abraham er was, ben ik er’, een vreemde, moeilijke uitspraak.

Maar daarmee laat Jezus iets zien van het geheim van ‘eeuwig leven’, leven met God.

Leven dat reikt over grenzen van tijd heen.

In Hem, in Jezus z’n woorden en daden, is God aanwezig, zoals eens voor Abraham.

Leven met God, dat is leven met eeuwigheidswaarde, leven dat toekomst opent.

Leven waarin wij mogen delen, maar dat ook vraagt om op weg te gaan.

Niet maar tevreden te zijn met wat je hebt : kerk, geloof, je leven dat z’n gangetje gaat.

Maar steeds opnieuw te zoeken wat geloven betekent, wat het woord, de weg van Jezus betekent in je leven, nu, iedere dag opnieuw.

Zo op weg gaan, zoals eens Abraham op weg is gegaan, weg uit het vertrouwde, uit de zekerheid, op weg gegaan, geroepen door een stem die sprak van toekomst van leven.

Een stem die is blijven spreken, in Jezus, levend Woord van God, en ook ons aanspreekt en in beweging zet.

Wie dat Woord bewaart, zegt Jezus, zal de dood niet zien, die zal leven vinden.

En dat Woord bewaren is : dat Woord doen en leven, in praktijk brengen: liefde doen, trouw zijn, mededogen, barmhartig zijn.

Dat Woord geeft leven.

Leven sterker dan de dood.

 

U bevindt zich hier: Home De Dominee Preken Zondag 2 april 2017