Zondag 5 februari 2017

Zondag Werelddiaconaat, thema: Smaakmakers

 

Lezing Oude Testament Jesaja 43: 9 – 12,

 

Evangelielezing Matteüs 5 : 13 – 16,




Aan zoutloos eten moet je even wennen, - zegt men.

Wie, wellicht op dokters advies, een zoutloos dieet heeft kan beoordelen of dat zo is, of je daar echt aan kunt wennen.

En of het eten ook net zo lekker kan smaken zonder zout.

Wij eten, volgens onderzoeken en volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid ongezond  veel zout.

En bedrijven van bijvoorbeeld kant en klaar maaltijden, zakjes voor sauzen e.d., wordt dan ook aanbevolen om de hoeveelheid zout daarin te verminderen.

Zodat we daar langzaam aan kunnen wennen.

Want zout is een smaakversterker en minder zout in het eten dat merk je aan de smaak.

Eten wordt er flauw, sommigen zeggen smakeloos van.

 

Zou dat, kun je je afvragen vanuit Jezus z’n woorden vanmorgen dat wij zout zijn,

zou dat ook gelden voor geloof, voor de kerk, voor ons als gelovigen, christenen, en ook anders gelovigen.

Dat wij smaakmakers zijn van het leven.

We vormen steeds meer een minderheid in ons land.

Geloof lijkt steeds meer een privézaak te worden, en moet volgens sommigen achter de voordeur blijven.

Zou de wereld, de samenleving het merken als er géen kerk en geen gelovigen meer zouden zijn.

Wordt het leven daar smakelozer van?

Flauwer.

En dat is niet alleen een vraag aan de samenleving, maar ook een vraag aan ons als kerk.

Je kunt de vraag ook omdraaien:

Is het te merken, laten wij genoeg merken in de maatschappij dat wij er zijn, als kerk, als gelovigen.

 

Af en toe klinkt die vraag: moet de kerk, de landelijk Protestantse Kerk niet meer van zich laten horen, zich meer uitspreken over maatschappelijke vraagstukken.

Maar het is natuurlijk ook een vraag aan ons persoonlijk:

Laten wij genoeg horen dat wij leven vanuit het geloof, laten we dat voldoende zien, in ons leven, onze straat en buurt, je werk of andere activiteiten.

Is dat te merken voor de mensen om ons heen, is het aan ons te zien?

Of blijft dat vooral binnen de kerkmuren en kerkelijke activiteiten?

Maken wij verschil, zoals zout in het eten.

Maken wij verschil en het leven, de samenleving, de wereld ‘smaakvoller’?

Ja zelfs, behoedden wij de samenleving en de wereld voor bederf?

Want dat was, zeker ook in de tijd van Jezus, ook een functie van zout, om eten te bewaren voor bederf.

 

We leven volgens allerlei denkers, filosofen, sociologen, cabaretiers, in een tijd van verwarring en onzekerheid.

Ons samenleven, landelijk en wereldwijd, wordt bedorven door tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen en religies, door conflicten, verruwing, misbruik en geweld,

door angst en zorgen van mensen of er genoeg geld en zorg zal zijn in hun ouderdom, of voor wie daar niet zonder kan, en noem maar op.

Kunnen we daar vanuit het geloof een richting in wijzen, houvast bieden?

Om zo, samen met anderen, het leven en de samenleving te bewaren voor bederf en bederfelijke invloeden?

De tijd van Jezus, van het Nieuwe Testament, was ook een tijd van onrust en verwarring.

De bezetting door de Romeinen bepaalde het leven, het volk droeg de last daarvan en was onzeker hoe het verder zou gaan.

Ook godsdienstig waren er verschillende stromingen en opvattingen en ook conflicten.

En in de tijd dat de evangeliën zijn opgeschreven werden de eerste christenen vanwege hun geloof vervolgd.

En daarin, in die verwarrende tijd, klinken deze woorden van Jezus.

Voor de mensen die Jezus bedoelt in de zaligsprekingen, de treurenden, zachtmoedigen, de nederigen van hart, zij die vervolgd worden, verlangen naar gerechtigheid,

zij die barmhartigheid doen, vrede stichten.

Jezus z’n woorden klinken voor de leerlingen en, nu wij die woorden lezen, ook voor ons.

‘Jullie zijn het zout van de aarde’,

‘Jullie zijn het licht in de wereld’.

‘Jullie licht moet schijnen voor de mensen zodat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan God’.

 

Niet: ‘jullie moeten proberen zout en licht te zijn, op jullie plek in het leven, in je omgeving’.

Nee, jullie zíjn zout, jullie zíjn licht.

En niet alleen maar bescheiden op je eigen plekje in het leven, maar ‘van de aarde’, en ‘in de wereld’.

Dat is nogal wat.

We kunnen toch niet heel de wereld op onze schouders nemen, laat staan veranderen?

En die stelligheid in de uitspraken van Jezus, kunnen wij die waarmaken?,

zout en licht te zijn.

Het is geen opdracht of aansporing van Jezus, om het te proberen te zijn,

blijkbaar heeft Jezus zoveel vertrouwen in de mensen om hem heen, zijn volgelingen, in ons, dat hij ons zegt dat wij het ‘zijn’, zout en licht.

En het zijn dus niet de sterken, de leiders, de belangrijke personen van het volk die Jezus aanspreekt.

Het is de mensenmassa die Jezus bedoelt in de zaligsprekingen, de armen, rouwenden, zachtmoedigen, vervolgenden, kwetsbare mensen,

het zijn Jezus z’n leerlingen, gewone vissers, wij als lezers.

Wij gewone, mensen, met onze onzekerheden, onze gevoel van onmacht tegenover alles wat er gebeurt in de wereld, met onze angsten.

Toch: zout en licht, in de wereld.

 

Maar niet alleen, en niet afzonderlijk, ieder op zich, maar sámen zijn we licht en zout.

‘Jullie’ zegt Jezus.

In de zaligsprekingen richt Jezus de ogen van de leerlingen op de mensenmassa, leert hen zien naar mensen met Gods ogen.

En ook in de zaligsprekingen zelf ligt de nadruk op het omgaan met elkaar: troosten, verzadigen, barmhartigheid doen, vrede stichten.

Zó zijn jullie, zegt Jezus, het zout van de aarde en licht in de wereld.

In de gemeenschap die jullie met elkaar vormen, daarin het omzien naar elkaar, het doen van barmhartigheid en gerechtigheid aan wie dat nodig heeft.

Het evangelie leven, vorm geven, waarmaken,

samen doen en uitstralen waar het in het evangelie, het leven van Jezus omgaat.

In een wereld die zich steeds meer van God af lijkt te keren, toch Gods programma blijven leven: barmhartigheid, gerechtigheid, vrede stichten, troosten en verzadigen,

richting laten zien voor het leven, voor ons leven en dat van anderen.

De richting van het Koninkrijk van God.



We moeten dus niet te klein over onszelf denken, ook niet te groot.

Maar het komt er wel op aan.

Zout en licht zijn onmisbaar om te kunnen leven, daar kunnen we niet zonder.

Het gaat om belangrijke, elementaire zaken in het leven.

Niet de extra’s, de versiering, dat wat het leven leuker, aangenamer kan maken.

Daar is het geloof niet voor, het leven met en vanuit het geloof.

Het is niet een extra, luxe artikel, een hobby, een aardige bezigheid voor erbij.

Jezus noemt ons niet parfum, het toetje bij het eten, de slingers op een feestje.

Jezus noemt ons het onmisbare, dat wat het leven mogelijk maakt.

Dus niet als “ach zoutloos kan ook, je moet er even aan wennen”.

Zonder zout en licht is er geen leven.

 

Dus ja, het moet te merken zijn dat wij er zijn als kerk, als gelovigen.

Maar dat hoeft niet te blijken uit grote woorden en grote acties.

Zout zie je ook niet in het eten, het doordringt het voedsel, gaat op in wat het bewaren moet voor bederf.

Het gaat niet om het zout, maar om het eten dat smaakvol, dat bewaard moet worden,

zout is dienstbaar daaraan zou je kunnen zeggen.

Zo zijn wij zout en licht, dienstbaar staan in de wereld, dienstbaar aan mensen, dienstbaar aan de leefbaarheid in de samenleving en in de wereld.

Doen wat er gedaan moet worden, zeggen wat er gezegd moet worden.

In de wereld, in je dagelijkse leven, in alle eenvoud en bescheidenheid.

Maar niet verborgen, niet ons licht onder de korenmaat zetten.

Maar zeker ook niet vanuit de hoogmoedigheid van ‘beter weten’ of eigen gelijk, niet drammerig of willen overtuigen.

Dat heeft de kerk misschien te veel in het verleden willen doen.

 

Een gedicht zegt het als volgt:

 

Een stad op de berg mogen we zijn,
maar dat geeft ons nog niet het recht
hoog van de toren te blazen.

 

Zout der aarde mogen we zijn,
maar laten we wel letten op de dosering,
anders zullen mensen vergaan van de dorst.

 

Licht op de kandelaar mogen we zijn,
maar laten we uitkijken waar we die plaatsen
dat we geen ogen verblinden.
Dat dient nergens toe.

 

In ons doen en laten, laten zien dat er licht is, vriendelijkheid, mededogen,

ook te midden van al het donkere en dreigende in de wereld.

Niet zwijgen maar spreken, laten horen dat er een tegenstem is tegen alle geschreeuw en schelden in de samenleving in.

Opkomen voor recht tegenover onrecht.

Muren afbreken in plaats van opbouwen.

Ruimte scheppen, liefde doen, openheid en respect, -  tegenover klein maken, veroordelen, vooroordelen en discrimineren.

Een goed woord, een vriendelijke blik voor je buren, je collega’s, wijkgenoten, ook als ze van een andere herkomst of geloof of politieke richting zijn.

Smaakvol in het leven staan.

Wie weet nodigt het anderen uit om ervan te proeven.

 

U bevindt zich hier: Home De Dominee Preken Zondag 5 februari 2017