Zondag 27 november 2016

Lezing Oude Testament Jesaja 2: 1 – 5,

Evangelielezing Matteüs 24: 32 – 44,

 

 

‘Een volk dat zijn geschiedenis niet kent, heeft geen toekomst’,

een bekende uitspraak, waarschijnlijk van Winston Churchill, premier in de oorlogsjaren in Groot-Brittannië.

Ik kwam, als variatie daarop, de uitspraak tegen: ‘een volk dat geen visioenen meer heeft,  heeft geen toekomst’.

Zonder dromen, idealen, raakt een volk uitgeblust, opgebrand, moedeloos en onverschillig, en misschien zelfs ontevreden en vol boosheid.

En je kunt je afvragen of dat niet geldt voor onze samenleving.

Zoals sociologen ook zeggen over de huidige tijd: ‘het grote Verhaal is verdwenen’.

Dat is aan de ene kant het religieuze, Bijbelse verhaal, dat met de ontkerkelijking voor veel mensen nauwelijks nog van betekenis is,

maar ook het grote verhaal van andere levensbeschouwingen en ideologieën.

Er zijn steeds minder samenbindende verbanden waar mensen deel van uit maken, waarmee ze een gezamenlijk doel of ideaal delen.

We zien het ook in de versnippering van partijen in de politiek en bij politici waar een visie of richting voor de toekomst, een omvattend toekomstbeeld voor ons land lijkt te ontbreken.

 

Het past bij het individualisme van onze tijd.

Ieder heeft zijn of haar eigen verhaal en waarheid, zapt heen en weer naar wat daarbij past, maar het verbindende verhaal, van gezamenlijk normen en waarden, idealen, dat wat we als landgenoten met elkaar delen en ons samenbindt, dat lijkt steeds meer af te kalven.

En kunnen we daar wel zonder, zonder een samenbindend visioen, toekomstbeeld?

 

De lezing van vanmorgen, over het visioen van Jesaja, roept de vraag op of wij, persoonlijk en als kerk, een visioen hebben dat we voor ogen houden en waaruit wij leven.

Een passende vraag voor deze Adventstijd, tijd van verwachten, uitzien naar.

En tegelijk natuurlijk een vraag die ook voorbij deze tijd van Advent voor ons van belang is, ook straks weer in het nieuwe jaar.

Maar eerst maar eens voor deze tijd op weg naar Kerst.

Verwachten wij deze weken meer dan alleen het Kerstfeest met het verhaal van Jezus’ geboorte,

twee gezellige Kerstdagen, mooie vieringen, lichtjes, samen eten en wie weet cadeaus onder de kerstboom.

Als wij zingen van ‘Licht om te leven de duisternis voorbij’ denken we dan aan meer dan alleen een kaarsje dat brandt, iedere week één meer?

Geloven we nog werkelijk in de komst van Gods Licht in onze wereld,

niet alleen een gebeuren van toen, meer dan 2000 jaar geleden, maar als iets wat we nog steeds verwachten.

Vrede op aarde, het Bijbelse visioen dat Jezus voor ons gestalte heeft gegeven in liefde voor mensen zelfs tot in de dood,

geloven we dat dat visioen eenmaal werkelijkheid kan en zal worden?

Dat we het, zoals het Adventsproject het zegt, mee kunnen maken.

Want Advent is niet alleen de verwachting van de geboorte van het kind Jezus, als een aanloop naar zijn leven en boodschap en inzet voor ons tot aan het kruis.

Advent is in de kerk ook altijd geweest: verwachting over de kerstdagen heen, verwachting

van de komst van de Mensenzoon, Gods Koninkrijk, waar de Matteüslezing over spreekt.

 

U zult misschien zeggen: hopen, ja dat wel, wie zou dat nu niet hopen, vrede op aarde, een mooi en goede wereld voor iedereen.

Maar verwachten, dat dat echt eens werkelijkheid zal worden?

Dat dat echt kan: vrede op aarde, recht voor alle volken, de wereld weer als een paradijselijke tuin?

We hebben misschien eerder het gevoel dat het de andere kant op gaat, steeds meer onrust en bedreigingen in de wereld.

Maar als we dat visioen niet meer verwachten, werken we er dan nog wel aan?

‘Wees waakzaam’, roept Matteüs op, en echt waakzaam zijn betekent je erop voorbereiden,

op z’n minst de mogelijkheid open te houden dat het kan gebeuren, Gods toekomst op aarde, door toe te leven naar dat wat we verwachten.

Zoals Jesaja het zegt in de lezing van vandaag:

Kom mee, laten we leven in het licht van de Heer’.

Jesaja schildert een prachtig visioen:

‘Eens zal de dag komen dat de tempel van de Heer rotsvast zal staan.’

Volken die samen stromen, niet om te vechten en oorlog te voeren, maar om onderwezen te worden in het Woord van God.

Om hun zwaarden en speren te laten omsmeden tot ploegijzers en snoeimessen.’

Dus niet alleen maar de wapens af te leggen, maar ze te maken tot werktuigen die leven kunnen opbouwen en bevorderen.

Van doodskracht naar levenskracht.

Geen wapens die littekens maken of zelfs dood brengen, maar werktuigen die voren trekken  in de grond om te zaaien en voedsel te doen groeien

Totale omkering dus, je zou kunnen zeggen van een nachtmerrie naar een prachtig droom, een waar visioen.

 

Het is een visioen, een droom die, zoals Jesaja het beschrijft, begint in de tempel van God.

Het is allereerst een gave van God.

Vanuit de tempel, Jeruzalem, ‘verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen’ bezingt Jesaja.

Dat klopt feitelijk niet, de berg waarom Jeruzalem gebouwd is, is niet de hoogste berg in de omgeving, maar dat is hier beeldspraak die ons zegt:

Het gaat hier om het hoogste goed, om dat waar het in het geloof om gaat.

Zoals immers de Tien Geboden, Gods regels voor een goed leven ook op een berg zijn gegeven, en Jezus op een berg zijn Bergrede uitspreekt.

Het gaat om het hoogste, het belangrijkste:

de leer van de Thora, Gods wet, om lessen in vrede en gerechtigheid,

daarin zullen de volken onderricht worden, dat zal ons de weg wijzen.

Zodat er geen oorlog meer zal zijn, geen mens meer zal weten wat oorlog is, en zwaarden tot ploegijzers, en speren tot snoeimessen zullen worden gesmeed.

Het visioen is allereerst iets wat ons gegeven wordt, we hoeven het niet zelf te bedenken.

Het is gave van God, maar vraagt van ons wel om ons er voor open te stellen.

Het visioen moet steeds opnieuw in ons geboren worden, net zoals het Kerstkind en de boodschap van kerst steeds opnieuw in ons geboren moeten worden.

Juist ook in onze wereld waarin er zoveel is dat het visioen, de boodschap van Kerst, van vrede en gerechtigheid tegenspreekt.

Steeds weer moet dat visioen worden opgediept, daartoe zijn we toch ook hier, zondags in de kerk, en daartoe zijn wij er als kerk in de wereld:

Om het Bijbelse visioen van vrede en gerechtigheid, genade en liefde zichtbaar te maken en levend te houden in de wereld en samenleving van vandaag de dag.

 

Het is gave van God, maar vandaar uit opgave voor ons.

Daarom in vers 5 de oproep: ‘Kom mee, laten wij leven in het licht van de Heer’.

Het visioen dat Jesaja in de lezing schildert is niet iets om af te wachten tot God het zal geven.

Het vraagt erom om er in mee te doen, om het in praktijk te brengen.

Een visioen is niet allereerst een voorspelling van wat ‘eens’ uit zal komen.

Een toekomstvisioen troost en bemoedigt zonder de problemen van het heden te ontkennen.

Maar een visioen leert om vanuit dat toekomstbeeld anders naar het heden te kijken.

Om in dat toekomstbeeld moed en visie en richting te vinden om nu al daaraan te werken.

Het woord visioen in het eerste vers van Jesaja 2 is in het hebreeuws het woord ‘dabar’, dat tegelijk woord en daad betekent.

Het moet steeds weer verteld én gedaan worden.

Dus: niet te blijven staan bij het ‘onmogelijk’ van het visioen, maar je er door laten inspireren, om dat visioen waar te maken, waar we dat kunnen.

Dat is leven in het licht van God, en dat Licht zal ons bij schijnen, ‘Uw Woord is een licht op ons pad’, en helpen om richting te vinden, waar het naar toe moet.

Als we kijken naar de geschiedenis van het joodse volk, zoals de Bijbel dat verteld en ook in de eeuwen daarna, dan is er altijd een visioen, een toekomstbeeld en verwachting geweest.

En zijn er altijd mensen, leiders, profeten geweest die het volk steeds weer aan dat visioen hebben herinnerd.

Het paradijsverhaal schildert al een visioen van de schepping als een prachtige tuin waarin mens en dier vredig samenleven.

In de 400 jaar dat Israël in Egypte was, zelfs in de slavernij, is er het visioen gebleven van terugkeer naar het beloofde land,

we hebben het de afgelopen weken in de Jozefverhalen kunnen horen.

Meerdere keren is het volk in ballingschap gevoerd en ook daar waren er steeds profeten om het visioen levend te houden.

Om het het volk steeds weer voor ogen te schilderen, om de hoop levend te houden.

En in de eeuwen daarna, het joodse volk verspreid over de aardbol, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, vernietiging van 6 miljoen Joden.

En toch is en wordt nog steeds in de liturgie van het Joodse Pascha aan het eind van de avond de wens uitgesproken ‘Volgend jaar in Jeruzalem’.

 

Zo zijn er in de geschiedenis steeds mensen geweest die het visioen van een goede wereld hebben geprobeerd levend te houden en zich er voor in te zetten.

Zoals Jesaja eeuwen eerder, zal later Martin Luther King de zwarte Amerikanen zijn droom schilderen: ‘Ik have a dream’,

dat op de heuvels van Georgia de zonen en dochters van de voormalige slaven en van de voormalige slavenbezitters naast elkaar zullen zitten aan de tafel van broederschap.’

Vredesbewegingen hebben de leus ‘zwaarden tot ploegscharen’ als hun motto aangenomen.

En zelfs heeft de voormalige Sovjet Unie in 1958 de Verenigde Naties een beeld geschonken dat deze Bijbelse uitdrukking verbeeldt.

 

Nog steeds hebben we profetische sprekers nodig.

Maar dat kunnen we niet alleen aan ‘de kerk’ of aan politici overlaten, of hen verwijten dat ze geen samenbindend verhaal meer hebben.

Het is minstens zo ook aan onszelf de vraag of wij nog een visioen, een droom met ons mee dragen en het uit dragen, in woord en daad.

Blijven dromen van een wereld omgekeerd,

Zien wat licht brengt

Doen wat gedaan moet worden : heelheid in een gebroken wereld.

Het visioen leven

Wie weet maken we het nog mee.

 

 

U bevindt zich hier: Home De Dominee Preken Zondag 27 november 2016