Zondag 28 september 2016

Lezing Oude Testament: Genesis 28: 10 – 22,

 

Evangelielezing Lucas 16: 19 – 31 ,



Er zijn heel wat kerken in Nederland die de naam Bethelkerk hebben.

Beth-el, huis van God.

Een naam die verwijst naar ons verhaal van vanmorgen, over de droom van Jacob.

Een naam die aan al die kerken is gegeven om aan te geven dat dat gebouw  niet zomaar een huis of een gebouw is te midden van andere huizen en gebouwen,

maar een huis van God.

Of in ieder geval met de hoop dat dat gebouw van hout en steen een huis van God zal zijn, een plaats zal zijn waar de hemel open gaat.

Waar verbinding kan ontstaan tussen hemel en aarde, waar God ontmoet kan worden, het gesprek tussen God en mensen mogelijk is, en gaande gehouden wordt.

Een mooie naam voor een kerk.

 

Tegelijk laat het verhaal van Jacob zien dat zo’n plek, waar de hemel zich voor ons kan openen, dat dat niet per definitie in een kerk of synagoge of godshuis hoeft te zijn.

Dat dat overal kan gebeuren, zelfs in de wildernis, in een crisismoment, zoals bij Jacob.

In de donkere nacht.

 

Jacob is gevlucht, weg van zijn vader Izaäk en zijn broer Esau die hij heeft bedrogen.

Hij verlaat het door God gegeven land en is onderweg naar Charan.

 

Alle hoofdpersonen in de Bijbel zijn eigenlijk voortdurend onderweg, op weg ergens naar toe.

Abraham die door God geroepen wordt op reis te gaan, Jakob hier en een groot deel van zijn leven, zelfs tot in Egypte, het volk Israël 40 jaar in de woestijn, later in ballingschap.

En ook Jezus is steeds onderweg, door het land, Israël en Galilea, op weg naar Jeruzalem.

Dat onderweg zijn tekent een voortdurend besef in de Bijbel van ‘niet thuis’ zijn,

vreemdeling zijn zelfs, zoeken, verlangen naar het beloofde land, land waar je wel thuis kunt zijn, verlangen naar een ‘verloren paradijs’.

Verlangen of in ieder geval de hoop dat het leven toch goed moet kunnen zijn, paradijselijk, vrede, gerechtigheid, geborgenheid.

Christenen worden in het Nieuwe Testament ‘mensen van de weg’ genoemd, onderweg in het spoor van Jezus naar het Koninkrijk van God.

Niet een Koninkrijk later, eenmaal, maar hier en nu, een aarde zoals God het bedoeld heeft.

Daarvan heeft Jezus immers tekenen laten zien, ‘het Koninkrijk is dichtbij jullie, onder jullie’.

 

Maar dat Koninkrijk is ook nog ver weg, dat zien we dagelijks om ons heen.

Nog lang geen vrede, gerechtigheid, geborgenheid.

Wie kent niet soms dat gevoel, dat je je afvraagt of je je nog wel thuis voelt in de wereld, in onze  samenleving met alles wat daarin aan de hand is.

Leven kan voelen als een woestijntocht, gevoel een vreemdeling te zijn, ontheemd, verloren.

Zoals Jacob in dat woestijngebied, alleen, donker.

Door je persoonlijke omstandigheden, het donker van verdriet of zorgen, verlies van een geliefde, van gezondheid, werk misschien of andere tegenslag,

Toekomstdromen die kapot vallen, onvervuld verlangen, kinderwens, een partner.

Of, zoals bij Jacob na een heftige ruzie of conflict, iets waarvoor je je misschien wel schaamt of schuldig over voelt.

Of het wereldnieuws met al z’n oorlog en geweld, schrikbarende, mensonterende beelden, vernietiging alsof de schepping weer teniet gedaan is.

Daardoor kan het leven soms voelen zoals bij Jacob in dat woestijngebied, alleen, donker.

Geen mens om je te troosten, bij je te zijn, te zeggen dat het wel weer goed komt.

En misschien wel met de vraag of zelfs God je verlaten heeft, of God er nog wel is.

 

En toch blijven we hopen en geloven in die wereld die goed kan zijn, blijven we uitzien naar dat verloren paradijs, blijven we onderweg.

En dat is een weg waarop we bemoedigd worden door het Bijbelse verhaal waarin steeds weer de belofte van God klinkt van goed land, van een gezegend volk talrijk,

als de sterren aan de hemel, klonk het voor Abraham,

als er stof op de aarde is, klinkt het in onze lezing voor Jacob.

Een weg waarop we kunnen horen van de tekenen die Jezus heeft gedaan, waarin dat Koninkrijk van God even oplicht.

En op die weg kunnen er, hoe verloren we ons soms ook voelen, steeds momenten, plekken zijn waar de hemel even ook voor ons open gaat.

Waar wie weet een engel op je pad komt, je verdriet, je zorgen, angst naar boven tot bij God brengt, en weer neerdaalt met Gods troost en ontferming en bemoediging.

Zodat je even ervaart: dit moment, deze plek hier is God dichtbij, naast mij, zoals God naast Jacob staat, en belooft: ‘Ik ben met je’.

 

Zo’n plek, zo’n moment kan overal zijn, daarvoor hoef je niet een kerk binnen te gaan,

Kan je misschien zomaar overkomen, onderweg,

misschien in een crisismoment zoals bij Jacob, als het er in je leven op aankomt, je op een grens stuit tussen verleden en toekomst,

je het verleden achter je wilt of noodgedwongen achter je moet laten, een nieuwe fase in je leven, als je keuzes moet maken, de misschien harde waarheid van je leven onder ogen moet zien, niet meer kunt doen alsof en de schijn op kunt houden.

Moment waarin je misschien bijna de moed verliest, de vraag zich opdringt of je het leven nog aankunt.

Op zo’n moment kan de hemel zich openen, kan er een engel op je pad komen.

Mensen vertellen er soms wonderlijke verhalen over, waarop je bijna jaloers kunt zijn.

Wie wil dat niet, een engel op je pad?

Maar misschien ook zijn ze er wel meer dan je denkt, die engelen,

in een mens die op je pad komt, even een goed woord of gebaar, praktische hulp, bemoediging waardoor je weer verder kunt.

 

Zo zien we ook Jacob, op de grens van het land, en ook op een grens in zijn leven.

Tussen zijn verleden, het bedrog van zijn vader en broer, de gestolen zegen,

en een onbekende toekomst.

Jacob is op weg naar Haran, de plaats waar zijn grootvader Abraham door God werd weggeroepen,  met de zegen en de belofte een groot volk te worden.

Jacob zijn bedrieglijke gedrag draait als het ware de roeping van Israël terug.

Hij verlangde naar de zegen, maar die kun je niet afdwingen, dat weet u misschien maar al te goed, en Jacob dreigt met lege handen te komen staan.

In ieder geval zo zal het voor hem voelen, daar op de grens van het door God aan Abraham en Izaäk gegeven land.

Daar staat Jacob, in niemandsland, terwijl ‘de zon is ondergegaan’,

dat is natuurlijk niet alleen een tijdsaanduiding, dat het al laat op de avond was en tijd om te gaan slapen.

Dat ‘de zon is ondergegaan’ tekent Jacobs situatie als duister, als was het weer voor de schepping van het licht,

ontheemd, verloren, zonder geborgenheid voelt Jacob zich, in niemandsland, van God en mens verlaten, - lijkt het.

En ondanks de bijzondere ontmoeting die zal plaatsvinden en de open hemel, staat aan het eind van ons verhaal, als Jacob wakker is geworden, niet dat de zon weer opgaat.

Dat zal pas vermeld worden na de worsteling van Jacob bij de Jabbok, vlak voor hij Ezau weer zal ontmoeten en zich met hem zal verzoenen.

Als Jacob weer terugkeert in het door God gegeven land en de broers weer verenigd zijn.

Dan pas kan Jacob weer echt leven in het licht.

 

Jacob gaat slapen, een steen als kussen, en krijgt een droom.

Ik heb het gevoel dat we daar in het christelijk geloof altijd wat terughoudend mee om zijn gegaan, met dromen, droomuitleggers.

Dat is hoogstens voer voor psychologen, je dromen, maar speelt geen rol in onze geloofsbeleving.

Toch is in de Bijbel heel vaak sprake van dromen, hier bij Jacob voor het eerst,

vaak spreekt God via een droom, denk maar aan Jozef de zoon van Jakob, , de Farao in Egypte, Jozef de timmerman, de wijzen uit het oosten, Paulus op één van zijn reizen.

Alleen van Jezus wordt niet verteld dat hij droomde.

Voor Jezus was blijkbaar geen droom nodig om met God te kunnen spreken of een boodschap te ontvangen.

In het hebreeuws is het woord ‘droom’ verwant met het woord ‘venster’.

Via een vensterdroom kijk je als het ware de hemel in, naar Gods wereld of kijkt God naar jou.

Zoals hier bij Jacob.

 

Jacob ziet een ladder die op de aarde staat en tot de hemel reikt.

En op die ladder ziet hij engelen, die opstijgen en neerdalen.

Je zou misschien verwachten dat ze eerst neerdalen, vanuit de hemel.

Engelen horen toch bij de hemel?

Maar de engelen stijgen eerst omhoog, alsof ze Jacob z’n nood, z’n schaamte en schuld, z’n verdriet en verlatenheid omhoog brengen tot bij God.

En neerdalend nemen ze mee Gods ontferming en troost.

Zo kan een engel op je pad soms een stukje van je verdriet, zorgen van je afnemen en je troost en bemoediging brengen.

 

En dan ziet Jacob in zijn droom God bij zich staan.

En God herhaalt in bijna dezelfde woorden de belofte aan Abraham, nu aan God:

‘Het land waarop je ligt zal ik aan je geven, naar het oosten, noorden, zuiden en westen,

ik zal je nakomelingen geven zoveel als er stof op de aarde is, en alle volken zullen wensen gezegend te worden als jij en je nakomelingen.

Ik zal met je zijn’.

Jacob weet als hij wakker wordt: ‘Op deze plaats is de Heer aanwezig, ik besefte het niet’.

 

God is er.

Die belofte die zo vaak klinkt in de Bijbel, klinkt hier ook voor Jacob.

Al voel je je van God en mens verlaten, durf je er niet meer op te hopen en te vertrouwen dat God bij je is.

Iedere plaats, iedere plek, elk moment in je leven, zelfs de wildernis, de donkere momenten,  kan worden tot Betel, aanwezigheid van God.

Kan de hemel zich openen, een engel op je pad komen.

Het lied dat we zo graag zingen: ‘Ga met God en hij zal met je zijn’.

En vandaag ons slotlied: ‘Wie kan er aarden hier beneden, als er geen open hemel is’.

Geen droom die bedrog is, maar een belofte.

 

U bevindt zich hier: Home De Dominee Preken Zondag 28 september 2016