Lezing Oude Testament Exodus 1: 8 – 22

(viering met bevestiging ambtsdragers) 

 

Vanaf vandaag lezen we tot na Pasen uit het Bijbelboek Exodus.

Exodus betekent uittocht en gaat dan ook over de uittocht van het volk Israël uit het diensthuis Egypte.

In de Hebreeuwse Bijbel heeft dit boek ‘Sjemot’, Namen, genoemd naar de beginzin, hoofdstuk 1: 1:

‘dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met Jakob naar Egypte waren gekomen’.

Maar de titel ‘namen’ heeft meer betekenis dan alleen een verwijzing naar de eerste zin.

In dit Bijbelboek zullen heel wat namen betekenisvol klinken.

In Exodus 3 klinkt de naam van God, JHWH, de naam die de joden uit eerbied niet uitgespreken, ‘Adonai’ zeggen de joden voor naam die betekent: ‘Ik ben die ik ben’.

 

Namen zijn belangrijk in de Bijbel, een naam geeft identiteit, zegt wie je bent, je eigenschappen: wat voor mens jij bent.

Denk maar aan Jakob: hielenvastpakker, hij pak bij de geboorte de hiel van zijn tweelingbroer Ezau en ook later zal hij een hielenlichter blijken te zijn in het bedrog van zijn broer en vader.

Jakob die later Israël wordt genoemd: strijder met God, na de worsteling van Jakob met … een engel, God, zichzelf? bij de rivier de Jabbok.

 

Namen zijn belangrijk.

Het doet je goed als iemand je naam nog weet.

Terwijl het vervelend is als iemand je naam steeds verkeerd zegt of schrijft.

Of je naam niet noemt maar roept: ‘hé jij daar’.

Het zou heel raar en onpersoonlijk overkomen als we straks afscheid nemen van ‘een kerkrentmeester’ of ‘een’ ouderling, diaken of kerkrentmeester bevestigen of herbevestigen, zonder hun naam te noemen.

Heel betekenisvol en ontroerend was het dat van 22 t/m 27 januari bij de herdenking van de Holocaust en 75 jaar bevrijding van Auswitz in kamp Westerbork de 102.000 namen van in de oorlog omgekomen joden, Sinti en Roma hardop zijn voorgelezen .

Zoals ook namen van slachtoffers worden gelezen bij andere herdenkingen.

 

Namen maken contact persoonlijk, je voelt je gezien en gekend.

Zoals in het gedicht van Neeltje Maria Min:

Mijn moeder is mijn naam vergeten. Mijn kind weet nog niet hoe ik heet. Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan, Laat mijn naam zijn als een keten. Noem mij, noem mij, spreek mij aan, o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

 

Naast de namen van de zonen van Jakob worden er in het eerste hoofdstuk van Exodus nog twee namen genoemd: de vroedvrouwen Sifra en Pua, met hun prachtige namen die Schoonheid en Glansrijk betekenen.

Dat staat in groot contrast met de naam van de Farao die niet genoemd wordt.

Hij, hoe machtig ook, en zijn daden van vernietiging, mogen geen naam hebben.

 

Exodus 1 vertelt hoe de nakomelingen van Jakob in Egypte tot een groot volk worden.

‘Ze werden talrijk’, de woordkeuze herinnert ons aan de belofte van God aan Abraham.

De nieuwe Farao die er is, die Jozef en dus zijn betekenis voor Egypte niet gekend heeft, ziet het gebeuren, het volk dat steeds groter wordt.

‘Het wemelt, krioelt van hen’, staat er eigenlijk, de Israëlieten worden gezien als ongedierte, een plaag waar tegen moet worden opgetreden.

En het zal niet de laatste keer in de geschiedenis zijn dat een volk, of dat vreemdelingen worden gezien als een plaag en bestreden moeten worden.

Herdenkingen zoals 75 jaar bevrijding van Auswitz herinneren ons daaraan.

Als we anderen niet meer zien als mensen, als personen, vaders, moeders, zonen en

dochters zoals wijzelf, maar als massa, als vijand,

vluchtelingen als gelukzoekers, als een asielplaag schreef de Telegraaf,

dan slaat de onmenselijkheid toe.

 

Ondanks de bestrijding van de Israëlieten door de Egyptenaren door dwangarbeid en onderdrukking, mishandeling, groeit het volk in aantal.

Gods zegen aan Abraham gaat door.

En de Egyptenaren zullen weten wat écht een plaag is, als later God door Mozes de 10 plagen, sprinkhanen, hagel, ziekte, duisternis, over Egypte laat komen.

 

Omdat de bestrijding geen effect heeft, gaat de Farao nog een stap verder.

De vroedvrouwen Sifra en Pua moeten alle pasgeboren jongens doden.

Voor de meisjes is de Farao blijkbaar niet zo bang, maar net als Sifra en Pua zullen juist vrouwen de redders van Israël blijken:

straks de moeder en de zuster van Mozes als ze hem in een biezen mandje leggen, en de dochter van Farao die hem vindt en als haar eigen zoon zal aannemen.

 

Sifra en Pua volgen het bevel van de Farao niet op.

‘Ze hadden ontzag voor God’, staat er.

Het is in de tekst onduidelijk of zij Egyptische of Hebreeuwse vrouwen waren, maar dat doet er blijkbaar niet toe.

Belangrijk is dat ze ontzag hebben voor God, God vrezen staat er in de vorige vertaling.

Dat is iets anders dan de angst van de Farao, vrees is ontzag, respect, God gehoorzaam zijn.

De vroedvrouwen blijken echt ‘vroed’, wijs te zijn, en daarom mogen hier hun namen genoemd worden, zo dat wij ze nu nog kennen en noemen.

En hun wijsheid en gehoorzaamheid wordt door God beloond, ook zij ontvangen kinderen.

In hun gehoorzaamheid aan God en inzet voor het leven, ligt ook voor henzelf toekomst.

 

Ondanks de onderdrukking, en door de ongehoorzaamheid van de vroedvrouwen, blijft het volk van de Israëlieten zich maar uitbreiden.

En dan geeft de Farao bevel aan heel zijn volk om alle Hebreeuwse jongens die geboren worden in de Nijl te gooien.

Sifra en Pua winnen niet zomaar, ze kunnen dood en geweld niet voorkomen, maar ze maken wel verschil.

Door te doen wat zij kunnen doen.

En meer kun je als mens niet doen, al heb je vaak het gevoel dat het een druppel op de gloeiende plaat is, dat de machtigen, de grootmondigen het toch winnen.

Doen wat je kunt, op jouw plek in het leven, daar verschil maken, dat kun je doen.

Als ouders, opvoeders, als ambtsdragers, ook als je je soms afvraagt wat de zin is nu de kerk steeds kleiner, steeds meer een minderheid wordt.

Of wat je echt kunt betekenen voor iemand die ziek is of verdriet heeft, of voor de nood in de wereld.

Toch volhouden en doorgaan.

En misschien pas achteraf blijkt dat daar zegen op ligt.

Zoals ook bij Sifra en Pua.

Het volk blijft zich uitbreiden, Gods zegent hun werk en ook henzelf.

 

Daar horen we ook pas direct dat God actief werkzaam is.

Je kunt je afvragen waar God was in dit hele verhaal van onderdrukking en moord.

Vaak klinkt die vraag: Waar is God, als God liefde is?

Maar God blijkt te werken door het handelen van de vroedvrouwen.

En we mogen erop vertrouwen dat God zo ook nu werkt door ons en onze inzet.

Ook als ambtsdrager.

 

In de evangelielezing van vandaag wordt gezegd dat we zout en licht zijn.

Om zo het verschil te maken waar leven flauw en doods is, waar het donker is.

De vroedvrouwen Sifra en Pua, hele gewone vrouwen, gaan ons daarin voor.

En waar wij dat ook doen, ieder op onze eigen manier en plek in het leven, al dan niet als ambtsdrager,

daar zal Gods Naam zichtbaar worden.

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 5 April om 10:00 uur in De Toevlucht,

Informatie bij deze dienst:
Zesde zondag van de 40-dagentijd Palmzondag. Lezingen: Exodus 11: 1-10 en Matteüs 26: 1-27, 66, thema: 'Wordt het nu anders'. De kinderen verbeelden in deze viering met palmpassstokken de intocht van Jezus in Jeruzalem.

Voorganger: Ds. A. Minnema
Ouderling van dienst: Ada van der Ster


Maa 6 April om 19:30 uur in De Dorpskerk

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: Vesper


Din 7 April om 19:30 uur in De Dorpskerk

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: Vesper


Woe 8 April om 19:30 uur in De Dorpskerk,

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: Vesper


Don 9 April om 19:30 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:
Witte Donderdag

Voorganger: Vesper