Allereerst een kleine leeswijzer bij de lezing uit 2 Samuël 5: 1 - 16

 

Wij lezen vandaag hoe koning David de stad Jeruzalem inneemt.

En daarin komen een paar vreemde zinnen voor, over lammen en blinden.

De inwoners van de stad bespotten David en zeggen daarbij:

de lammen en de blinden David zullen verjagen, maar die grootspraak wordt al gauw ontkracht, David neemt de stad snel in via een list.

Maar dan volgt een vreemde uitspraak van David:

‘Wat de lammen en de blinden betreft, die veracht ik uit de grond van mijn hart’.

Dat is een akelige uitspraak.

 

Uitleggers geven aan dat de precieze vertaling en dus ook interpretatie van deze zin moeilijk en onduidelijk is.

Martin Buber, een joodse vertaler, vertaalt deze zin juist als een verontwaardigde, retorische vraag: ‘Hoe zou David lammen en blinden haten?’ Natuurlijk niet, is dan het antwoord.

In het Bijbelboek Kronieken waar dit zelfde verhaal wordt verteld, ontbreekt de opmerking over de lammen en blinden.

Terwijl in Psalm 115 David afgoden ‘lammen en blinden’ noemt en als hij dat hier ook bedoelt daarmee aangeeft dat de afgoden uit de stad moeten worden verwijderd.

 

Maar wat er precies staat en bedoeld is blijft onduidelijk.

Net als het spreekwoord erna, ‘Lammen en blinden komen het huis niet in’.

Misschien heeft een latere redacteur deze zinnen in de tekst ingevoegd, als argument bij een tekst in Leviticus waar staat dat de priester in de tempel geen handicap mag hebben, een regel die je ook weer in z’n context moet lezen en uitleggen om deze goed te begrijpen.

Wat we in ieder geval wel kunnen zeggen is dat David zorgt voor Mefiboseth, de gehandicapte zoon van Jonathan, en hem in huis neemt.

Dat in visioenen zoals in Jesaja 35 wordt beschreven dat als God een keer brengt in de geschiedenis, dat als eerste wordt gezegd dat lammen zullen opspringen en blinden weer zullen zien.

Zoals ook Jezus lammen en blinden geneest als teken van de komst van Gods rijk.

Dus hoe we deze tekst ook moeten lezen, niemand wordt bij God afgeschreven.

 

Lezing Oude Testament 2 Samuël 5: 6 – 16

 

 

Jeruzalem, stad van vrede.

Stad die tot de verbeelding spreekt, voor joden en ook voor ons als christenen.

De stad waar Jezus naar toe ging, de evangeliën zijn eigenlijk allemaal één groot reisverhaal over Jezus die onderweg is naar Jeruzalem.

De stad waar Jezus zijn laatste levensdagen zal doorbrengen.

De intocht in Jeruzalem, de laatste maaltijd met zijn leerlingen, en daarna de gevangenneming en zijn dood aan het kruis en opstanding.

En na Jezus’ Hemelvaart is de uitstorting van de Heilige Geest op het Pinksterfeest ook in Jeruzalem.

Jeru-sjalem, oorspronkelijk betekende die naam waarschijnlijk stad of bron van Sjalem.

Maar in de volkstraditie is dit geworden tot Jeru-sjaloom, stad van vrede.

 

De stad die door heel de Bijbel heen een belangrijke rol speelt.

Al sinds David na zijn overwinning op Goliath het hoofd van de reus afhakt en naar Jeruzalem brengt.

David die deze stad Jeruzalem kiest om te wonen, waar Salomo de tempel zal bouwen,

de stad die bezongen wordt in de psalmen zoals in psalm 122,

en zo verder tot in het laatste boek Openbaring waar het nieuwe Jeruzalem wordt bezongen als de stad waar God woont bij de mensen.

 

Jeruzalem, de historische stad, waar ieder jaar miljoenen toeristen en pelgrims naar toe reizen om de heilige plaatsen te bezoeken, in de hoop om iets van de sfeer te proeven waarin Jezus leefde.

 

Stad van vrede.

Maar ook de stad waar heel veel strijd is geweest, in de Bijbelse tijd, verwoestingen van de stad en de tempel, later in de tijd van de kruistochten om Jeruzalem te bevrijden van de moslims, en nog steeds tot in onze tijd.

Stad ook van militairen, van verdeeldheid, religieuze botsingen tussen joden, christenen en moslims, stad van aanslagen, onschuldige burgerslachtoffers.

Nationaal en internationaal lijkt het een politiek onoplosbaar twistpunt.

 

Toch is er ook een periode van vrede geweest in Jeruzalem.

De tijd van de regering van koning David en na hem zijn zoon Salomo, was een tijd van eenheid tussen het noorden en het zuiden, tussen de 12 stammen van Israël.

Een periode van totaal 70 jaar, in Bijbelse symbooltaal een volle tijd van vrede,

en daarmee is het een hoopvol beeld en belofte voor iedereen die hoopt en verlangt dat ooit opnieuw Jeruzalem wordt tot stad van vrede,

en dat heel de wereld tot dat vredesrijk herschapen zal worden.

 

Vandaag hebben wij gelezen hoe Jeruzalem de hoofdstad van Israël wordt met David als koning.

David is, na de dood van Saul, koning geworden over het Zuidrijk Juda en regeert vanuit de stad Hebron.

Na een machtsstrijd in de familie van Saul komen de stammen van het Noordelijke rijk Israël bij David en vragen hem ook hun koning te zijn.

Ze spreken hun verbondenheid uit: ‘hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed’.

En dat ook tijdens Saul z’n regering David al hun succesvolle legeraanvoerder was.

Ze erkennen dat God David heeft beloofd om vorst over Israël te zijn, om het volk te weiden.

Het is niet toevallig dat ze die woorden gebruiken: vorst, daarmee geven ze aan dat er een andere koning is, dat God de ware koning is, boven alles.

En met het woord ‘weiden’ herinneren ze aan David z’n herderschap.

Zo zal hij vorst zijn, hun leider zijn, maar geen leider die het van z’n macht moet hebben, maar een leider die in de eerste plaats een herder is voor zijn volk.

David is koning in Gods naam en daarom wordt eerst voor Gods aangezicht een verbond gesloten, daarna wordt David tot koning over Israël gezalfd.

Dat is dan de derde keer dat David tot koning gezalfd wordt.

Eerst als herdersjongen door de profeet Samuël, toen tot koning over Juda en nu tot koning over Israël.

Nu is zijn koningschap als door God gezalfde compleet.

En in totaal 40 jaar zal David over het hele land regeren, een Bijbels getal voor een volle tijd, een generatie,

zoals het volk Israël 40 jaar in de woestijn was om te leren leven in vertrouwen op God.

 

David kiest als hoofdstad de stad Jeruzalem, een wijze, tactische keuze.

Jeruzalem was nog steeds in handen van de Kanaänieten, Jeruzalem was bij het binnentrekken in het beloofde land niet door Jozua veroverd.

Jeruzalem hoort dus niet bij Juda en ook niet bij Israël, het ligt ertussen in, in neutraal gebied en zal dus geen jaloersheid bij één van beide rijken oproepen.

Door Jeruzalem te kiezen als hoofdstad verbindt David beide rijken Juda en Israël met elkaar.

 

De stad moet nog wel veroverd worden, maar ondanks grootspraak van de inwoners:

‘U komt er niet in, lammen en blinden zouden u verjagen!’ wordt de stad met een list, via een watertunnel, snel ingenomen.

In één zin is het verteld.

‘Toen veroverde David de bergvestiging van Sion, de huidige Davidsburcht’.

Hier klinkt de naam Sion, de naam voor één van de bergen in Jeruzalem waar later de tempel gebouwd zal worden, symbool van de plek waar God woont bij zijn volk.

Wij kennen de naam ook in het Zionisme, de beweging in Israël die streeft naar de joodse staat in het gebied waar in de Bijbelse tijd Juda en Israël waren gevestigd.

Dat de naam Sion hier klinkt in plaats van Jeruzalem, geeft aan dat deze stad, de hoofdstad van het rijk van koning David, in de eerste plaats een godsdienstig centrum is, en daarna pas politiek of militair.

En dat het koningschap en de regering van David ten dienste staat van het koningschap van God.

 

Na de inname van Jeruzalem gaat David wonen in de stad, zijn macht en welvaart en ook zijn gezin groeien.

En staat er heel mooi bij: ‘David besefte dat de Heer hem als vorst over Israël had aangesteld en hem ten behoeve van Israël machtig had gemaakt’.

David beseft dat zijn macht en rijkdommen en welvaart geen eigen kracht of verdienste is, maar gave van God.

En dat zijn koningschap staat in dienst van het koningschap van God.

 

Het plaatje lijkt compleet, volmaakt.

Maar toch ontbreekt er nog iets: de ark van God, waarin de Tien Geboden worden bewaard, vanaf de berg Sinaï door Israël meegenomen op de tocht door de woestijn.

Deze ark is nog steeds in een stad in Juda, de onheilige stad Baäla.

En in het volgende hoofdstuk wordt verteld hoe David de ark naar Jeruzalem brengt, dansend voor de ark uit, zoals wij in lied 173 hebben bezongen.

Dan is er reden om te dansen, dan is het koningschap van David, maar vooral het koningschap van God compleet.

Als de ark in Jeruzalem is, als teken dat God koning is boven alles.

 

Zo komen godsdienst en politiek samen in de hoofdstad Jeruzalem, de stad van vrede.

Dat is een ingewikkelde situatie, dat beiden, godsdienst en politiek bij elkaar, dat zal ook steeds weer blijken in de geschiedenis van Israël.

Steeds weer zal de vraag aan de orde zijn wie regeert:

God en de koning in de naam van God, of toch de koning met al z’n menselijke kunnen maar ook zwakheden, begeerten, machtswellust, ook David is daar niet vrij van, zal blijken.

 

Gaat dat wel samen?

Godsdienst en politiek. In onze samenleving pleiten steeds meer ervoor godsdienst en politiek gescheiden te houden, godsdienst is voor het privéleven, hoort achter de voordeur.

En wij kennen ook scheiding van kerk en staat.

Tegelijk neemt religie, nemen christelijke partijen een grote plaats in, in regering en parlement, en is er meer of minder regelmatig overleg tussen de kerken en politici over allerlei maatschappelijke onderwerpen.

In onze Protestantse Kerk klinkt af en toe de oproep dat de synode, de kerk zich vaker uit moet spreken over allerlei maatschappelijke onderwerpen, zoals bijvoorbeeld het vluchtelingenvraagstuk, of ethische onderwerpen.

Terwijl over de vraag of politiek op de kansel en in preken hoort, daarover kon het in de kerk bijv. in de tijd van de kernwapendiscussie fel aan toe gaan.

 

De Bijbelse tijd en samenleving was natuurlijk een heel andere dan de onze.

Dat kun je niet zomaar overzetten.

En dat in Jeruzalem godsdienst en de politieke, bestuurlijke macht zo dicht bij elkaar liggen, zoals het koningschap van David dienstbaar moet zijn aan het koningschap van God,

dat laat vooral iets heel wezelijkers zien.

Het kan verwarrend zijn, maar tegelijk ook heel hoopvol, vol hoop.

Het laat zien dat God dáár wil wonen, dichtbij mensen, dichtbij alles wat ons bezig houdt, bij wat er in ons leven aan de hand is.

God is geen God veraf, hoog boven ons verheven, alleen om lof en eer en aanbidding te ontvangen, alleen voor de zondag of voor het leven hierna.

God wil wonen tussen mensen.

Als tijdens de tocht van 40 jaar in de woestijn droegen de Israëlieten een soort mobiel heiligdom met zich mee, dat de tent van ontmoeting werd genoemd, waarin de ark met de tien geboden een plaats had.

Vanaf koning Salomo is de tempel in Jeruzalem symbool van de plek waar God woont bij de mensen.

En wij denken daarbij natuurlijk ook meteen aan Jezus.

Als God ooit heeft laten zien dichtbij mensen te willen zijn, dan zien we dat in Jezus, die zijn weg ging tussen mensen, vol ontferming, met aandacht juist voor de gewone mensen en wat in het gewone dagelijkse leven ons kan bezig houden aan ziekte, zorgen of verdriet.

Aandacht voor de zwakken, lammen en blinden, zondaars, degenen die in de maatschappij vaak niet meetellen.

‘Midden in wat mensen zijn, heeft hij willen wonen’.

Om het licht van Gods Koningschap over ons leven te laten vallen.

Dat we ons gedragen mogen weten in ons leven, in alles wat ons daarin overkomt en bezighoudt, dat we er daarin niet alleen voor staan.

En om in dat licht van Gods Koningschap richting te wijzen, van een toekomstvolle weg naar de stad, een wereld van vrede.

 

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 24 November om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:

Laatste zondag kerkelijk jaar: Gedenken van de gestorvenen en Dienst van Schrift en Tafel (H.A.).
In deze dienst met medewerking van de cantorij noemen we de namen van gemeenteleden die het afgelopen jaar zijn gestorven.
Lezingen: Maleachi 3: 19-24 en Lucas 21: 5-19.

Voorganger: Ds. A. Minnema
Ouderling van dienst: Yuri Sigmund