We vallen midden in het verhaal van David in het Bijbelboek 1 Samuël, door startzondag en de oecumenische viering vorige week hebben we gemist wat hiervoor gebeurt met koning Saul en met David.

Saul is de eerste koning van Israël, het volk wilde een koning en hoewel God daarop tegen was, is Saul koning geworden.

Eerst met goede bedoelingen, maar het koningschap van Saul is niet wat het zou moeten zijn, niet volgens Gods wil.

Daarom heeft de profeet Samuël David tot koning gezalfd, een kleine herdersjongen die zal koning worden zoals God dat wil, als een herder voor het volk.

Maar zover is het nog niet.

David heeft veel succes, ook in de strijd tegen de Filistijnen, en koning Saul wordt steeds meer jaloers en bedreigt David, wil hem doden.

David heeft afscheid genomen van zijn vriend Jonathan, de zoon van Saul, en David is nu op de vlucht voor Saul.

  

Lezing Oude Testament 1 Samuël 21: 2 – 10,

Evangelielezing: Lucas 16: 19 – 31,

 

‘Wonen overal nergens thuis’, lied 419 dat we straks zingen na de verkondiging.

Gekozen vanwege de lezing over David van vanmorgen.

Omdat het past bij de situatie waarin David is: op de vlucht, ‘overal nergens thuis’.

Zoals zoveel vluchtelingen ook nu nog.

Ook toen al: zelfs de gezalfde koning heeft geen plek, geen plaats om zijn hoofd neer te leggen.

Zoals eeuwen later ook Jezus van zichzelf zal zeggen: de Mensenzoon heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen, te rusten.

Jezus, altijd onderweg, leeft onder de open hemel, woont tussen mensen.

Zo is ook David, tot koning gezalfd, maar nu nog een vluchteling, onderweg,

op zoek naar een veilig onderkomen, eerder bij de profeet Samuël, nu bij priester Achimelech.

Zijn naam Achimelech betekent ‘broer van de koning’, de priester waar David een schuilplaats zoek, is een broer van koning Saul die David vervolgt

– zal dat dus wel een veilige plek zijn voor David?

 

Het 2e couplet van Lied 419 zingt van ‘wagen en winnen’ .

– David waagt, speelt een gevaarlijk spel met z’n dubbelzinnige antwoorden op de vragen van priester Achimelech: halve waarheden, halve leugens – om bestwil.

‘Waarom is er niemand bij u?’ – orders van de koning, een geheime opdracht

– maar welke koning bedoelt David, inmiddels is hijzelf ook tot koning gezalfd, in plaats van Saul.

- en welke opdracht, welke zaak? Voor of tegen de koning?

 

‘Mijn mannen wachten op een afgesproken plek’, letterlijk staat er ‘op één of andere plek’,

zo en zo - Ja, ja dat zal wel!,

David heeft helemaal nog geen mannen om zich heen.

En dan die heilige broden uit de tempel waar David om vraagt.

‘Zijn uw mannen wel rein?’, vraagt de priester.

Weer antwoord David met een omslachtig, ontwijkend antwoord.

En tot slot vraagt David om een lans of zwaard en krijgt hij het zwaard van de reus Goliath die David zelf verslagen heeft.

Maar gaat David dan ook het zwaard gebruiken als koning, op wapens vertrouwen?

Of zal hij zich houden aan zijn belijdenis tegenover Goliath: ik kom niet tot jou met wapens, maar ‘met de naam van de Heer’.

David waagt, maar zal hij ook winnen, hoe zal hij verder gaan?

 

‘Mensen veel geluk’, - zal David geluk vinden?

Elk couplet van lied 419 eindigt daarmee: ‘Mensen veel geluk’.

Dat is mooi en ook bijzonder.

In heel het lied wordt niet over God gesproken of over de Bijbel, maar in die wens klinkt toch de boodschap van de Bijbel door,

het is als het ware een samenvatting van waar het in de Bijbel om gaat: geluk.

Daartoe is de mens bedoeld, dat wij gelukkig zijn.

Het eerste woord van Psalm 1 is ‘geluk’ : ‘gelukkig de mens’ die niet kwaad doet maar zich houdt aan de wet van God.

Zal David zo’n mens, zal hij zo koning zijn?

 

David is op de vlucht voor koning Saul en vlucht naar een heiligdom,

eerder naar de profeet Samuël en nu naar de priester Achimelech.

In een heiligdom, bij Gods dienaren ben je toch veilig.

Het kerkasiel, zoals we dat alweer bijna een jaar geleden hebben gezien, van oktober tot in januari in het kerkhuis Bethel, is daarop gebaseerd.

De Bijbelse, joodse wetgeving in Exodus biedt veiligheid aan wie onschuldig is of wie onopzettelijk iemand heeft gedood en toch vervolgd wordt.

Toch neemt David niet het risico de priester eerlijk te vertellen waarom hij onderweg is.

Priester Achimelech is een broer van de koning.

Deze verbinding is hier niet toevallig.

Het laat zien hoe in de Bijbel koningschap en priesterschap zijn verweven, zoals immers de koning door de priester tot koning wordt gezalfd.

Het gewone, dagelijkse, de politieke macht is niet los te zien van het heilige.

Het menselijke koningschap is geheiligd koningschap in dienst van God, dat is hét grote thema van de Samuëlboeken.

Koning Saul is die verbinding kwijt geraakt, luistert niet meer naar de profeet Samuël,

en zal later zelfs zijn broer priester Achimelech laten doden als verraden wordt dat Achimelech David heeft geholpen door hem broden en een zwaard te geven.

 

David vraagt brood aan Achimelech.

Brood staat in de joodse traditie symbolisch ook voor de wet van God, de Thora, voor dat waar we werkelijk van leven, en dat is niet bij brood alleen.

Dat David 5 broden vraagt verwijst naar de vijf boeken van Mozes, de Thora.

Daarmee laat David zien dat hij zich aan die wet van God wil houden, zo zal hij koning zijn.

Maar er zijn alleen gewijde broden, heilige broden uit de tempel.

In het heilige der heiligen in de tempel lagen altijd 12 toonbroden als verwijzing naar de 12 stammen van Israël.

Iedere sabbat worden de 12 broden vervangen door verse broden, en de ‘oude’ broden mochten alleen gegeten worden door de priesters, door wie geheiligd leeft.

Op de vraag van de priester of de mannen van David wel ‘heilig’, gewijd zijn, antwoordt David weer met een dubbelzinnig antwoord: ‘altijd als wij onderweg zijn en zeker met deze broden zijn wij gewijd’.

Zo ontvangt David heilige broden om zijn weg verder te kunnen gaan.

Maar zal zijn weg als koning een heilige weg, een weg met God zijn?

 

Jezus verwijst in de evangeliën naar dit verhaal van David.

Als Jezus met zijn leerlingen op de sabbat door het veld loopt en de leerlingen honger hebben plukken ze aren en eten daarvan.

Hoewel dat op de sabbat eigenlijk, volgens de regels van de wet van Mozes, niet mocht.

Je zult immers op sabbat niet werken.

Maar als de Farizeeën Jezus daarop aanspreken, antwoordt Jezus dat de sabbat er is voor de mens en niet andersom, en dat hij, de Mensenzoon, heer is over de sabbat.

Leven, mogelijkheden ontvangen om te leven, zeker als dat bedreigd wordt, in levensgevaar is, gaat boven de geboden.

De sabbat, onze zondag, is er om het goede, het echte leven te proeven, en ook het heiligdom staat ten dienste van het leven.

Niet andersom, de geboden, de regeltjes, de kerk, zijn geen doel op zich.

Al heeft dat er in de kerk en in geloof soms wel op geleken en hebben gelovigen elkaar vastgepind en zelfs veroordeeld op grond van de vele regels, voorschriften en tradities, wat moest en niet mocht, en zeker niet op zondag.

En veel daarvan, van die regels en tradities, zijn ook heel waardevol maar staan wel altijd ten dienste van leven zoals God het bedoeld heeft,

om dat goede leven te leren, te vieren, ertoe geïnspireerd te worden.

Al de geboden, regels en voorschriften in de Bijbel en hopelijk ook in geloof en kerk,

staan ten dienste van het geluk van mensen en dan zijn we weer terug bij het lied waarmee ik begon en dat we zo meteen zullen zingen.

‘Wonen overal nergens thuis, steeds elk couplet eindigend met de wens: ‘Mensen, veel geluk’.

 

Het lied heeft vandaag ook een beetje een knipoog in zich vanwege het vertrek van Maria, Christiaan en de kinderen.

Hier in Ypenburg, in onze gemeente, een aantal goede jaren thuis, en straks hopelijk ook steeds meer thuis in Leeuwarden.

Het geluk dat we hen toewensen: Mensen, veel geluk.

 

Het is een bijzonder lied, lied 419, op de melodie van een slaapliedje: ‘Suze Naanje’.

Een speelse melodie en met drie coupletten waar een opbouw in zit:

Wonen overal nergens thuis, even thuis, bijna thuis.

Wonen, ergens wonen, is blijkbaar niet hetzelfde als thuis zijn, je thuis voelen, daar kan spanning tussen zitten.

Het lied wijst een weg van wonen naar steeds meer thuis zijn, wijst zo een weg door het leven, met van alles wat daarin aan de orde kan zijn.

Het eerste couplet bezingt ‘vallende sterren’ misschien gaat dat over wensen die je kunt hebben, over het begin van leven, of over een nieuw begin.

Zoals je in je leven op verschillende momenten en manieren opnieuw kunt en soms moet beginnen: nieuwe school, nieuwe baan, verhuizing, of als er ingrijpende veranderingen in je leven zijn door ernstige ziekte of verlies van een geliefde.

Waardoor je je helemaal niet meer ‘thuis’ voelt in je leven of zelfs in je eigen huis.

Dan toch: ‘opstaan en verder gaan’, hoe spannend of moeilijk misschien ook.

 

Het tweede couplet bezingt ‘handel en wandel, loven en bieden, waarheid en waan, wagen en winnen en verder gaan’.

Alles wat er in het leven aan de orde kan zijn, gaande kan zijn, soms mooi en goed, soms moeilijk vol onzekerheid en spanning.

Ook dan toch: ‘verder gaan’.

 

En dan het derde couplet over ‘bijna thuis, aarde mijn hemel, mijn vaderhuis’.

Bedoelt de dichter hier het ‘na dit leven’, bij God zijn, dat je daar pas echt kunt wonen en thuis zijn?’.

Tegelijk is het ook nog steeds een lied voor nu, voor onderweg in het leven:

‘dromend een stem verstaan’.

Om ook te eindigen met die wens: ‘Mensen, veel geluk’.

 

Het is een belangrijke gedachte in de Bijbel en ook in onze geloofstraditie dat wij altijd onderweg zijn.

Wij zijn mensen van de weg, zoals de eerste christenen zich noemden, de weg van Jezus, onderweg naar het koninkrijk van God, in Jezus onder ons en dichtbij gekomen.

Jezus roept mensen, zoals zijn leerlingen, om met hem mee te gaan, mee te gaan dromen van die goede wereld van God, daartoe worden we geroepen:

‘dromend een stem verstaan’.

 

Misschien moet David zijn weg als koning daarom ook wel zo beginnen, als vluchteling, onderweg, om te beseffen dat het ook met zijn koningschap straks niet ‘klaar’ is, dat hij ook dan zich niet tevreden kan settelen.

Dat hij altijd onderweg blijft.

Dat er een ander Rijk, Gods Koninkrijk is dat altijd vóór hem, voor ons uit ligt, waar we naar op weg zijn en waar we ons voor moeten blijven inzetten.

 

‘Wonen overal, nergens thuis’, dat is geen vermoeiende, frustrerende constatering.

Het is een uitnodiging, om steeds weer op te staan en verder te gaan.

In het spoor van Jezus die overal en nergens woont.

Of beter gezegd: die bij de mensen, bij ons mensen woont.

En met ons onderweg is, ons uitnodigend met hem mee te gaan op weg naar het goede leven in Gods Koninkrijk.

En als wij in dat vertrouwen leven, dan kunnen wij overal wonen,

en kunnen we ons thuis voelen in het onderweg zijn.

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 27 Oktober om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:
Lezingen: Jeremias 14: 7-10, 19-22 en Lucas 18: 9-14. Collecte voor Voedselbank Haaglanden en Voedselbank Delft.

Voorganger: Ds. R. Klijnsma
Ouderling van dienst: Jan Francke