Lezing Oude Testament: Numeri 11: 24 - 29 ,

 

Evangelielezing: Marcus 9: 38 – 50,

 

 

‘Wie hoort erbij?’ dat is vandaag het thema van de kindernevendienst bij het verhaal van Marcus.

Er is iemand die zich niet bij Jezus en zijn leerlingen wil aansluiten maar wel in Jezus’ naam demonen uitdrijft.

Volgens Johannes mag dat niet, hij en enkele andere leerlingen hebben geprobeerd die man tegen te houden.

Het lijkt op het verhaal uit Numeri waar Mozes 70 helpers krijgt, oudsten die de geest van God ontvangen om naast Mozes het volk te leiden en te profeteren.

Maar twee van hen zijn niet naar de tent gekomen waar dat allemaal gebeurt, maar ontvangen wel de geest en profeteren ook.

‘Laat ze daarmee ophouden’, zegt Jozua, Mozes z’n rechterhand, z’n naaste helper.

Maar zowel Mozes als Jezus bestraffen hun leerling.

‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’, zegt Jezus.

Wie goed doet, wie profeteert,

wie jullie een beker water geeft omdat je bij Christus hoort,

wie werkt aan het heil van God, dat het beter gaat met mensen, met de schepping, dat er vrede komt, die hoort erbij.

 

‘Wie hoort erbij?’.

Een actuele vraag, nog steeds ook in onze tijd.

In ons land met vele nieuwkomers, vluchtelingen, asielzoekers, mensen met andere religies en gewoonten, wie mag erbij horen?

Wie zich aanpast, onze gewoonten, normen en waarden, manier van doen overneemt?

Of mogen ze er ook zijn op hun manier, hun eigenheid, misschien anders maar niet persé strijdig met onze beelden en idealen van samenleven.

 

En kerkelijk, gelovig, wie hoort er dan wel of niet bij?

In deze tijd met vele kerken, stromingen en religies.

Zijn we in onze eigen kring overtuigd van ons eigen gelijk, dat wíj de waarheid in pacht hebben?

Of is er openheid voor wat we elkaar over kerk en geloofsgrenzen heen te zeggen en te bieden hebben?

Steeds minder mensen zijn lid van een kerk, maar velen noemen zich wel gelovig, religieus of spiritueel, maar geven dat op een andere manier dan in de kerk inhoud en vorm.

Heel veel mensen, ook niet kerkleden of gelovigen zetten zich in in vrijwilligerswerk, voor vluchtelingen, vrede, milieu, mensenrechten, welzijn in de wijk.

En onze kinderen? van wie misschien veel niet meer bij de kerk horen, of niet meer naar de kerk gaan, maar voor ons gevoel toch echt wel proberen goed, bewust en verantwoord in het leven te staan, volgens de normen en waarden die we hen geprobeerd hebben mee te geven.

 

Wie hoort erbij?

Misschien niet bij de kerk dus, bij een plaatselijke gemeente, maar bij de beweging van Jezus, van het Koninkrijk van God?

Is heil, Gods heelheid en liefde, alleen in de kerk te ervaren en kan alleen vanuit de kerk daarvan gedeeld worden?

Of waait de geest van God ook buiten de kerkmuren?,

zoals in het verhaal van Mozes en de 70 oudsten de geest ook buiten de ontmoetingstent, de kerk van dat moment, twee mannen bezielt om te gaan profeteren.

‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’, zegt Jezus.

Jezus maakt de kring om hem heen heel ruim.

Ruimer dan wij misschien geneigd zijn, net als Johannes.

Johannes die het lid zijn van de groep om Jezus heen, het instituut kerk zouden we nu zeggen, belangrijker lijkt te vinden dan het geven van heil en genezing.

En waarom?

Wat zit daar achter?

Bij Johannes en de andere leerlingen misschien jaloersheid of angst voor concurrentie?

Even daarvoor staat het verhaal dat wij vorige week hebben gehoord, hoe het de leerlingen van Jezus niet lukte om een boze geest uit te drijven.

En nu is er iemand die niet bij Jezus en bij hen hoort, die dat blijkbaar wel kan en ook nog in Jezus’ naam.

Versterkt het misschien hun gevoel van tekort schieten als leerlingen van Jezus?

 

En waarin raakt het ons, die vraag wie hoort er wel of niet bij?

Is het het gevoel dat ‘die anderen’ de gemakkelijkste weg kiezen?

Terwijl wij trouw onze plichten voldoen: regelmatig naar de kerk gaan, onze vrijwillige bijdrage betalen, tijd en inzet aan de kerk geven als vrijwilliger of ambtsdrager?

Terwijl het moeilijk is steeds weer nieuwe ambtsdragers te vinden.

En begrijpelijk dat gevoel, want we willen dat de kerk als gemeenschap ook kan blijven bestaan en daar is inzet van tijd en geld voor nodig.

En als zoveel anderen dat allemaal niet doen, bijdragen met inzet of financieel, verdienen ze het dan wel om er ook bij te mogen horen?

Maar zo denkt Jezus niet.

Ook wie misschien niet voldoet aan de regels van lidmaatschap van de kerk, maar wel gaat en werkt in het spoor van Jezus en zo meedoet in de beweging van het Koninkrijk van God,

werkt aan heelheid, vrede, ook die hoort erbij.

‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’.

 

Waar gaat het om?

Om de kerk, het instituut? of om de groei van Gods rijk van vrede en gerechtigheid in de wereld.

De evangeliën vertellen ook regelmatig van mensen die niet tot het volk Israël horen, maar heel goed begrijpen waar het God om te doen is, wie Jezus is.

Denk aan de Romeinse hoofdman met zijn zieke zoon, of de Syro-Feninische vrouw met haar zieke dochter.

Zoals de Zuid-Afrikaanse bisschop Desmond Tutu ooit eens zei naar aanleiding van de Dalai Lama, die immers ook geen christen is:

“No problem, you know, God is not a Christian”.

God is geen christen, maar de God van alle mensen, het gaat niet om ons, om de christenen, om de kerk, het gaat om de wereld, om het heil voor de wereld,

om vrede en gerechtigheid.

Wie daar bij wil horen, daaraan werkt en zich ervoor inzet, die hoort erbij, bij de beweging van Jezus.

 

In onze lezing uit Marcus volgen daarna een aantal vreemde, harde woorden van Jezus.

Over wie één van de kleinen van de goede weg afbrengt beter af is in zee te worden gegooid met een molensteen om de nek.

Of als je hand, voet of oog je op de verkeerde weg brengt, dan het dan beter is deze af te hakken of uit te rukken, dan in het Gehenna geworpen te worden.

Het lijkt wel als Jezus de sharia, de strenge islamitische wet wil invoeren.

En met deze beelden lijkt het stof voor een donderpreek over hel en verdoemenis.

In de vorige NBG vertaling stond hier de ‘hel’  als plek om via de verkeerde weg met twee handen en voeten en ogen binnen te gaan.

De Nieuwe Bijbelvertaling kiest ervoor om het onvertaald te laten, Gehenna en daarmee hoeven we niet direct aan de hel te denken.

Het Gehenna verwijst waarschijnlijk naar het dal van Hinnom, een dal bij Jeruzalem waar in oudtestamentische tijd kinderen werden geofferd aan de afgod Moloch, de god van het vuur.

Het dal waar ook het afval werd gestort en verbrand.

Een dal dus van vuur en gruwelijke afgodendienst,

een donkere afgrond naast de stad Jeruzalem met de tempel op de berg.

In de apocalyptische literatuur over de eindtijd en het eindoordeel wordt dit Hinnom ook de plaats van de hel bij het laatste oordeel.

En dat ís ook de hel, waar de kinderen, waar toekomst wordt geofferd aan de macht van de afgod, aan de god van de macht,

waar mensen elkaar offeren, wat mensen elkaar aandoen in deze wereld.

Het dal van dood en verderf, het tranendal, waar het recht van de sterkste geldt, het ieder voor zich is, en de kleinen steeds weer slachtoffer worden.

 

Dat beeld, die combinatie samen, het dal Hinnom en Jeruzalem met de tempel op de berg, roept de vraag roept:

waar wil je zijn, waar wil je bij horen, welke kant ga je op, welke richting kies je in je leven?

Naar het dal, de afgrond, waar mensen elkaar de verdoemenis in helpen.

Of kies je de weg omhoog, naar God, de weg van het Koninkrijk van God?

Waar mensen zich inzetten voor wie klein en zwak is, voor heelheid, vrede en recht.

 

Die keuze, daar over gaat het hier in de woorden van Jezus.
Een keuze die erop aankomt, vandaar die radicale woorden van Jezus, het afhakken van hand en voet, uitrukken van je oog.

Radicale beelden voor radicale keuzes waar je niet in kunt schipperen, een beetje van het één en het ander.

Radicale keuzes die passen in die tijd van de eerste christenvervolgingen in de eerste eeuwen.

Maar ook voor ons geldt dat wij in ons leven keuzes moeten maken, steeds weer, wat je wel of niet doet, waar je wel of niet bij wilt horen, waar je je voor inzet.

Jezus noemt in die radicale beelden hand, voet en het oog.

Je zou kunnen zeggen dat staat voor je handel, wandel en zienswijze, blikrichting.

Dus voor wat je doet, welke weg je gaat, hoe je kijkt naar het leven en de wereld en de mensen om je heen.

Voor heel je levenswandel en levenshouding, al je daden.

Dus niet zomaar wat, het één of het ander, maar dit gaat over het wezenlijke van je leven, hoe je je leven invulling geeft.

Voortdurend moeten we daarin keuzes maken, soms heel praktisch, dagelijks, soms voor de langere termijn, keuzes over werk en school en carrière, hoe je je leven invult,

keuzes in geloof en kerk, maatschappelijk, politiek, waar je je tijd en geld en energie aan besteedt.

 

Daarom eindigt Jezus met de beelden van vuur en zout.

Vuur en zout dat zuivert.

Vuur dat vlamt en verwarmt, aangestoken door de goddelijke vonk van Gods geest, het vuur van de liefde, van verlangen dat brandt en in beweging zet.

Zout dat bewaart voor bederf, in jezelf en tussen mensen.

‘Zorg voor zout in jezelf en bewaar onder elkaar de vrede’.

Het is als een zegenwens die Jezus zijn leerlingen geeft.

Wie zich daarin voegt, die kracht in zichzelf werkzaam laat zijn en daaruit wil leven,

helend, vrede stichtend, gemeenschap zoekend zonder anderen te oordelen of uit te sluiten,

kritisch naar jezelf, ruimhartig voor anderen, in kerk en samenleving,

die hoort erbij.

‘Bewaar het zout in jezelf en onder elkaar de vrede!’

Volgende kerkdienst

Eerstvolgende kerkdienst is op
Zon 28 Oktober om 10:00 uur in De Toevlucht

Informatie bij deze dienst:


Voorganger: Ds.G.van Herk
Ouderling van dienst: Carla Izeren